Categorie: Back In Time

“Rosy Cheeks” Rosie

Rosie had zwaar ingezet op de hoornen komboloi en het juwelensetje die ik op de veilingsite ten voordele van het plaatselijk hondenasiel had geplaatst.
En had die gewonnen.

Met een frons om de neus had ik haar dan ook uitgenodigd om de nu wel kostbare spulletjes op een terrasje in het centrum in ontvangst te nemen. Frons, omdat ik mij glashelder onze eerste ontmoeting herinnerde, waar Rosie vakkundig opgetut en onder invloed verscheen, in de vaste overtuiging dat Grom nog een happy-go-lucky vrijgezel was, of althans by no means gehinderd door enige commitment whatsoever. Volkomen aandoenlijk allemaal.

Zij reageerde meteen. “Saturday morning, right? Is Grom coming with you?”
Ja, hij zou langskomen, wellicht iets later, beloofde ik.
Dat hij elk voorstelbaar excuus had opgediept om onder de afspraak uit te komen, zeg je als weldenkend mens toch niet?

Ik schrok me de pleuris als ik haar op het bankje bij de fontein zag zitten. Rosie?
De vrouw die vorig jaar haar comfortabele job voortijdig was uitgevlucht om eindelijk permanent te kunnen genieten van haar zonovergoten huisje tussen de wijnranken?
De vrouw die eveneens de zoete verleiding van de fles niet had weerstaan en deze eenzame, stille moordenaar als minnaar had genomen?

Met rozige wangen nipte zij aan haar tweede glas wijn, terwijl zij onafgebroken vertelde hoe welstellend zij wel was. Zo en zoveel op de bank in Engeland, zo en zoveel hier op de bank, zo en zoveel geschonken door haar ouders die hun riante huis in Londen hadden verkocht, zo en zoveel nog te verwachten ook. I’m lucky, you know.

Niet in de mogelijkheid het gesprek een andere wending te geven, concentreerde ik me op de grauwe kleur van haar onopgemaakt gezicht, haar lege ogen, haar doffe haren, haar vormeloze, oude groene trui. Haar afgeschilferde goudkleurige nagellak met een vuil randje.
Zoekend naar iets dat mij van haar huge amount of luck kon overtuigen.

Zij zag als eerste Grom het terras opwandelen.
“Hi Rosie, long time no see. How are you?”
“I’m fine, Grom. I’m a millionaire’s daughter”.

Arme vrouw.

De Hollander van Ierapetra

Paul Herman Felix Kuijpers 1939-1971

Gisteren herdacht men het 48-jarig jubileum van het overlijden, op 9 september 1971, van de Nederlandse agronoom Paul Kuijpers, die de pionier was van tuinbouwkassen in Griekenland en vooral in Ierapetra, waar hij “De Hollander” (O Ολλανδός ) werd genoemd.

Dit is de man, die de levens van de mensen in Ierapetra ingrijpend wijzigde en hun woonplaats veranderde in een tuinbouwkasparadijs, in een tijd dat er armoede was omdat het toerisme nog volledig onderontwikkeld was.

Paul Kuijpers begon in 1963 te experimenteren met tuinbouw op het Griekse eiland Syros. Drie jaar later, in 1966, ging hij naar Ierapetra in Kreta en vestigde zich daar met zijn vrouw, met wie hij twee dochters had, waarvan er één na zijn dodelijk verkeersongeval werd geboren.

Paul Felix Herman Kuijpers, zoals zijn volledige naam was, leerde de inwoners van Ierapetra hoe groenten en gewassen te telen in kassen, terwijl hij nieuwe variëteiten planten uit zijn geboorteland importeerde.

Aanvankelijk was de teelt in de kassen van Ierapetra geconcentreerd op komkommers, maar geleidelijk begonnen andere soorten te groeien, wat leidde tot een eigenaardige landelijke “revolutie” van de plaats en een meer dan gemiddelde welstand voor de inwoners.

Uit erkentelijkheid voor hetgeen Paul Kuijpers voor hen had betekend, lieten zij de uit de streek afkomstige kunstenaar Frixos Theodosakis een bronzen buste van hem maken, die op 11 september 1977 in het naburig dorp Gra Ligia werd onthuld.

De Laatste Prikkels

U weze gewaarschuwd. Grom is de man van de wandrekjes. Laat hem vooral niet alleen met wat beschikbare vierkante ruimte op je muren, want hij moet en zal er een decoratief, vermoedelijk gerecycleerd, rekje plaatsen. Waarop dan bij voorkeur cacteeën in toenemende grootte en/of lelijkheid worden geëtaleerd.

Toegegeven. Het rekje aan de buitenmuur van Villa Gisele (*) stond er een tijdje verweesd bij. De vier piepkleine metalen potjes met prikbladeren waren niet van aard om een toevallig voorbijkomende liefhebber van zijn sokken te blazen. Uit pure deernis kocht ik er nog vier bontgeschilderde mexicaantjes bij en toen stokte het aanbod dramatisch.

Ben je op zoek naar het onvindbare, dan kan slenteren in een schroot-, brocante- en inboedelmagazijn al eens verhelderend werken. Grom liet zijn oog vallen op een tiental oude vloertegels, die hij bij de renovatie van zijn studio wou gebruiken.

Samen met de hoogbejaarde Griekse eigenaar van de opslagplaats, hevelde ik de zware tegels over in een paar stevige tassen. Geheel in lijn met zijn credo, zelf niets te doen dat door een ander kan gedaan worden, verdween Grom in het gebouw. Het irriteerde mij en analoog met mijn bloeddruk, swingde ook mijn mood de pan uit.

Ik lummelde wat rond, verbaasde mij over de enorme hoeveelheid opgeslagen rommel en voelde een diepe compassie met diegene die deze meuk ooit zou erven. Beneveld door het stof en de kwalijke geuren, zocht ik algauw naar een uitgang en vond er Grom terug. Die, net als ik, plots oog in oog stond met 4 eenzame espressokopjes op de laatste volgestouwde kast. Vier petieterige witblauwe kopjes, voor vier petieterige cactusplantjes.

Met opgeheven handen droeg Grom zijn kopjes naar buiten, alsof het hier Fabergé-eieren betrof. Negeerde straal de opa Griek, wikkelde zijn schat op de parking omzichtig in het strandlaken dat op de achterbank lag en nam afwachtend plaats in de wagen.

Verbluft, sprakeloos, wezenloos, vol ongeloof staarden opa en ikzelf in zijn richting. “What about your fucking tiles?” Ik rekende af, wou de zware tassen van de grond tillen… het enige wat bewoog waren mijn knieschijven. Opa keek mij met een veelzeggende blik aan, deed alsof hij mijn verwardheid en schaamte niet zag en sleurde eigenhandig de tassen een voor een naar de wagen.

Ik was razend, ziedend, woest. Beloofde Grom zijn gezicht ermee open te rijten als hij nog 1 cactus naar huis bracht en trakteerde hem op een week silent treatment. Hij heeft sindsdien zijn stomme planten wijselijk in zijn studio ondergebracht.

(*) Nvdr : Villa Gisele is onze woning in het comateuze bergdorp nabij Gouves, die wij permanent bewonen. Andere woonsten in mijn verhalen betreffen Arthouse, het huis in Heraklion dat wij gedurende vijf jaar semi-permanent bewoonden, en Clive’s Studio, het kunstenaarshol van Grom in de onmiddellijke buurt van de villa.

Het Ontrouwe Vriendje

voetjes_water

@Siteia (Kreta), zomer 2009

“Om een vriend te vinden moet men één oog sluiten. Twee om hem te houden” (Norman Douglas)

Mijn vriendje, de olijke man die volop aan het verkassen is van zijn rustig optrekje in de bergen naar zijn nieuwe woonst in de stad – waar een half bataljon schilferkoppen zich op dit eigenste moment de naad uit het gebronsde lijf werkt om alles tijdig beplaasterd, betegeld, beglaasd, geschilderd en aangesloten te krijgen – en van wie je dus normaliter zou verwachten dat hij, zo niet met vleesgeworden stress, dan toch op zijn minst met erectiele dysfuncties rond zou lopen, zit breedlachend – in uitsluitend vrouwelijk gezelschap – op een terras aan zijn zoveelste koffietje te nippen.

Hij veert recht als hij me aan ziet komen.

“Agapi mou, why is the colour of your eyes changing?”

Ik besluit mijn twéé ogen te sluiten, Norman Douglas indachtig.

“What’s wrong, agapi? Oh come on. I know something is bothering you, I gave you birth”.
Waarmee hij dan poenerig bedoelt dat hij me door-en-door ként.

Verkeerde interpretatie, maat, ik voel me gewoon pissig en wil naar huis, R.E.M. op maximum geluidssterkte horen, in bed kruipen, mezelf uithongeren. Wèg van hem. Hij voelt zich gewoon betrapt en wil zo snel mogelijk van die vrouwen af.

Ik besluit ook mijn mond maar te sluiten. Een hele opgave voor mij.

“Please, do sit down and have a coffee. Please ??? Do you want me to tell everyone in Siteia that I love you?”

“Most certainly NOT. I will break your legs”.

Hij draait zich naar het tafeltje, raapt zijn mobieltje en sigaretten bijeen. De verbazing op de gezichten van zijn gezelschap is groot, de verwachting nog groter.

“I love this woman. But she doesn’t want to marry me”.

Waarop twee hangwichten  als een springveer uit hun stoeltje omhoog schieten en totaal verbluft haperend uitroepen : “But, but, but…. I… I… will marry you, agapi mou !!!

Slik. Nogmaals slik. Aan menig mens is niets zo echt als zijn masker. Hier houdt het dus wel op, sweetheart.

Dekselse Lemonia

Als je voor vol wil aanzien worden door de goegemeente, dan hoort er een citroenboompje in je tuin. Bij gebrek aan tuin, reserveerden wij bij de heraanleg van de patio dan ook een ereplaats voor het boompje dat onze dorpsstatus aanzienlijk omhoog zou tillen. De man in het garden center verzekerde ons, dat het nattige specimen dat wij hadden uitgekozen, ons vrij spoedig met een karrevracht citroenen zou verwennen. Uit niets bleek dat wij hier ook maar een moment aan zouden twijfelen. Dolenthousiast gaf ik ons boompje de naam Lemonia, het schiep een band, vond ik.

Maar Lemonia had andere plannen. Ze groeide en bloeide, maar vertikte het ook maar één langverwachte vrucht af te leveren. Ik speurde elke dag haar takken af, sprak haar lovende woorden toe, besprenkelde haar voetjes, noppes, tipota. Ik werd er na een jaar zowaar mistroostig van. Wie schetst dan ook mijn verbazing als ik plots een volwassen exemplaar tussen de groene blaadjes ontdekte.

lemonia1

Dit kon niet waar zijn, what the heck is hier aan de hand? Vol ongeloof naderde ik  Lemonia’s tere blaadjes, voelde omzichtig aan het kleinood. En ontdekte welke oplossing  Boss voor mijn wanhoop had bedacht.

lemonia2

Het bleek voor Lemonia een wake up call te zijn. Het volgende jaar schoot zij in haar wiek en gaf het beste van zichzelf. Zoveel vreugde kon ik nauwelijks op, te meer omdat zij ook het jaar daarop mijn TLC leek op prijs te stellen.

001

En toen gaf Lemonia het op. Definitief. Vergeet de limoncello, Babette.

Lemonia staat nu onvruchtbaar te verpieteren tussen de geraniums die zich weelderig rond haar stam hebben geslingerd.

Jij je zin, meid, ik haal mijn citroenen voortaan wel bij de buren.

It’s a lie, of course!

mannen

(18+ indien van christelijken huize)

Even de stad induiken voor de duisternis (en het gebrek aan sigaretten mij) invalt is een bijzondere ervaring.

Op enkele piepkoppeltjes na, die hand in hand nog de illusie koesteren dat zij onafscheidelijk zijn, zie je nauwelijks vrouwen op straat. Zij staan namelijk achter de kookpotten, massaal veel kookpotten, want er dient achtereenvolgens ruim voorzien te worden in wat de man lust, en in wat de zoon lust.
In veel mindere mate in wat de dochter lust en in helemaal geen mate in wat de vrouw lust.
En dit alles in minstens drie gangen.

De mannen zitten dan ook op de terrasjes inmiddels, je gaat het toch nooit in je hoofd halen een handje toe te steken. (Moet dat nou zo overdreven ?)

En zij discussiëren, hoe minder verstand zij van iets hebben, hoe luider het eraan toegaat en hoe verbetener zij liegen. En zij metselen een ongezonde hoeveelheid koffie, raki en nicotine naar binnen. Of spelen backgammon. Of schaken.

En hebben elke vrouw gezien die het twijfelachtige voorrecht geniet op dit uur niet voor een hongerige nederzetting te hoeven prakken. Of zonder sigaretten valt.

Zij kennen mij inmiddels wel, hebben blijkbaar ook in blijde dankbaarheid mijn niet-toerist-status en de onvermijdelijk daaraan verbonden wildste geruchten aanvaard.

Want Grieken zijn nu eenmaal leugenaars, het is geen kwalijke eigenschap, het is een vanzelfsprekendheid, een sport zeg maar.
It’s a lie, of course!” hoor ik ze fier na zowat elke halsstarrige bewering zeggen.

Het wordt nog net ietsje kuttiger als ik, thuisgekomen, mijn Belgische buur met de kromme benen tegen het lijf loop. Jeweetwel, die man wiens hond ik hier twee weken heb vertroeteld toen hij naar België was afgereisd.
En waarvoor ik nog steeds op een bedankje wacht.

Wat heb ik gehoord?” fleemt hij.

Ik verwacht mij aan het ergste, want hij heeft bij de Jezuïeten schoolgelopen en heeft daar uiteraard een uitgesproken leugenachtig profiel aan overgehouden.
Wil ik eigenlijk wel horen wat hij heeft gehoord?

Wat dan, Roel?”

Je hebt hier een huis gekocht“.

Nou goed dat ik in Kreta een verbijsterende savoir-vivre aan de dag weet te leggen en zelfs een emmer kakkerlakken in mijn keuken mij niet meer van mijn stuk brengt.

Want hij had dat vernomen van Apostolis, die het wist van Kostas, die het had gehoord van Giorgos, die Manolis had afgeluisterd.

Ik weet niet of ik Roel van het tegendeel heb kunnen overtuigen. Het zal mij ook worst wezen, met zijn profiel kom ik hem later in de hemel sowieso niet tegen.