Categorie: Back In Time

Betoverende Buurjongen

“I like discussions with youngsters.  It reminds me of the fact
that I didn’t know it either in the past” (Jonckheere).


@Roussa Ekklisia, 2008

Griekse god en ik wonen onder hetzelfde dak.  Zo kan je dat in feite wel stellen.

Wij delen namelijk het huurgenot van een plat dak, een tussenmuur in het midden, een 40-tredentrap langsheen mijn woongedeelte, een veranda en een tuin.
Wij zijn buren dus.  Ik haast mij dit te verduidelijken.

Mijn buurjongen en ik palen aan elkaar met oneindig veel momenten van samenhang en samenspraak. “Buurjongen” is in zijn geval een wel heel gruwelijk understatement.
Hij is een droom.  Droom het en hij heeft het.
Hij is nog met de hand gemaakt. Fijngesculpteerde zachte trekken, de prachtigste ogen waar ik na een ter zake toch wel gedegen expertise ooit mocht in verzinken, een lichaam als een kathedraal.

“John” is zijn naam.  Een beetje trendy Yianni laat zich graag John noemen en zo heeft hij zich ook hoffelijk voorgesteld toen wij voor het eerst op ons fifty-fifty terras tegen elkaar opbotsten.
John is dertiger en runt in de city een glas- en kaderbedrijfje met glaskunstgalerie. Wat hem als jongeman op mijn eiland en in mijn verknochte ogen eveneens zo uitzonderlijk maakt is zijn werklust, zijn bonhomie en zijn beschouwende kijk op het leven.

Niet alleen heeft hij zich succesvol van de possessieve adoratie die Griekse moeders onlosmakelijk voor hun zonen koesteren kunnen loskoppelen, hij heeft ook meerdere stappen buiten zijn eilandsgrenzen gezet, wat hem een zeldzame open mind en Engelse woordenschat heeft opgeleverd.

Onze voordeur is hét signaal.  Zonder woorden hebben wij dit begrepen.  Als die gesloten is, leiden wij elk ons eigen beschermde leventje. Staat die open, dan zijn wij volop susceptibel voor alle vormen van gesprek, voedsel en drank op ons uitnodigend terras.

Het is zo stilzwijgend vanzelfsprekend. John maakt koffie zoals ik die het liefste heb. John schuift twee gemakkelijke zeteltjes, een volwassen fles tsipoura en een kingsize asbak bij het terrastafeltje. John heeft een snelle hap voor twee mee. John sleept een paar vrolijke vrienden en geheime bewonderaarsters aan. John tovert melancholische noten uit zijn bouzouki.

John neemt de tuinslang uit mijn handen en maakt ’s avonds de sproeikarwei af.
Eindeloos.

Net als de gesprekken die wij voeren eens de krekels uitgekraakt zijn, eens de druppels op de rozen verdampt zijn en de gitzwarte nacht gevallen is.
Eens wij de rollende zee in de diepte en de straatcultuur in de stad door honderden uitbundige lichtjes en door de wind aangevoerde muziekflardjes nog slechts vermoeden kunnen.
Ach. John, het godenkind. Ik mis hem.

De autoverhuurder

Wie zich in een van de getekende personages herkent,
beschikt over meer fantasie dan de auteur (Adriaan van Dis)…




“Manoli, sweetheart? So sorry to disturb you, but this time the car is DEAD!”

Als zij in de shit zit en bijgevolg enige mannelijke interventie onvermijdelijk is, noemt zij de andere helft aan de lijn steevast “sweetheart“. En zet zij haar stemgeluid op “hulpeloos”.

Wrong time, dat wist zij. Op dit eiland wordt er tussen 2 en 5 gesiëst. En aanverwante horizontale activiteiten beoefend.

Dat zij haar sweetheart autoverhuurder hierbij wel degelijk had gestoord,
werd duidelijk toen hij in hoge mate geïrriteerd uitvloog.

What do you mean, DEAD? The car is not dead. NOT dead, d’you hear me?
Nothing wrong with this car. It’s the battery again.
You left the radio or the airco on, all night, I’m sure.
Just like you did last time”.


Hij had gelijk, wat de both times betreft. Maar zelfs met het hoofd op een hakblok zou zij dat niet toegeven.
Hij vond haar immers een Power Lady en een dergelijke reputatie verdien je niet zomaar.

Bij het eerste alarmerende batterijfalen, nauwelijks een week ervoor,
was Manolis na 20 minuten al ter plaatse.
Koud kunstje, zo bleek.
Want “bergaf, in tweede gooien en starten”.

Zij had goed geluisterd hoe het moest.
Deze keer besloot zij dan ook de klus in haar eentje te klaren.

En ging zij wel bergaf, in tweede, maar the car startte NIET.
En stopte dus ook NIET.

In ideale omstandigheden, zoals daar zijn klaarlichte dag,
hevige zonneschijn en geen tegenliggers, lukte het haar de berg, haarspeldbochten incluis, in 13 minuten af te bollen.

Toen de wagen beneden uiteindelijk stilviel, had zij haar record in de vernieling gereden. Haar zenuwen en haar hartritme eveneens, trouwens.

Alle incompatibilité des humeurs ten spijt, drong enige startkabelhulp zich dus op.
Nog steeds foeterend en stevig uit zijn hum, laadde Manolis de batterij op.

Zij hield, met bibberende knieën, nog steeds vol dat het falen ditmaal eigenlijk “not only the battery” was geweest, “you know Manoli ?”
En zoende hem achter zijn oor teneinde haar vermoedens kracht bij te zetten. Zijn gezicht en boosheid trokken witjes weg, het ongeleid projectiel kreunde bijna van spijt.
“I’m so sorry, milady, this has been a hell of a day, you know”.

De autoradio heeft hij voor alle zekerheid uit zijn huurkar gehaald.
Geen erg, vond zij. Radio2 kon zij er toch niet op beluisteren.

En de parkeerbonnen, die zij, netjes op datum geklasseerd, in het handschoenenvakje had achtergelaten, zou zij overigens ook niet betalen.

De kat op het koord

(Waarschuwing : Emotionele Poezenliefhebbers slaan dit over)


Vangelis, mijn garagist in Sitia, is een uiterst voorzichtig man.
Als hij met aandrang fronsend zegt “don’t drive to Heraklion, just drive around Sitia” (dit moet zowat de enige zin zijn die hij in het Engels kent, speciaal aangeleerd met mij in gedachten), dan luister ik naar hem en zal je mij dus geen urenlang bochtenwerk in de bergen zien ondernemen.

Want als Vangelis dit zegt, dan is er stront aan de knikker. In dit geval, aan mijn karretje.

De man doet zijn werk grondig. Wat niet kan gezegd worden van de twaalf dozijn katten die mijn lieflijke heuveltop paringsgewijs overbevolken en overbelasten.

Het probleem van de productieve zwerfkatten (en -honden) in Kreta is genoegzaam bekend, ik ga hierover mijn duit niet in het zakje doen. Niet dat ik daar geen eigen oordeel over heb, maar omdat ik me danig en dagelijks oefen in het niet-meer-zonodig-een-eigen-oordeel-over-iets-te-moeten-hebben. Laat staan dit ook te ventileren.

Naast het met hoogst irritante klanken en met een driftige regelmaat bezegelen van hun voortbestaan en het werpen van verdere nesten ongewensts, worden katten ook verondersteld op muizen te jagen. Wat zij dus vertikken.

Ik heb dan ook besloten geen vaart meer te minderen als ik mijn helling kom opgevlogen en zij in formaties van acht midden op de baan liggen te verteren wat zij uit de vuilniscontainers hebben opgediept.

Want het is mij om die verrekte muizen te doen.

Het was mij al eventjes opgevallen dat ik bij het schakelen telkens een pikzwart rookgordijn achter mij aan zag bengelen. De olie, denk je dan. Kan niet, denk je dan, die is pas ververst en hoeft slechts om de zes maanden of om de 5000 km opnieuw. Althans, volgens Vangelis, zulke banaliteiten gaan immers aan mij voorbij. A sensible person had al eens onder de motorkap gekeken. Ik niet.

Toen viel de toerenteller uit. Geen zorg, denk je dan, ik hoor het wel als ik in overdrive zit.
Toen viel de radio uit. Minder gezellig. Het scherm er dan maar uitklikken en opbergen in het handschoenenvak. Tot ik eens in de garage raak.

Ik ben er vandaag geraakt.

Tientallen proppen van de binnenbekleding van de motorkap alom. Verdachte brokken alom. Kabeltjes alom. Stukgeknabbeld door muizen. Door muizen !
Vangelis gaat zich maandag op dit gevaarlijk kluwen werpen, beloofde hij. “Don’t drive to Heraklion” intussen.

Look out, poezelige luiwammesen. Mijn strooptocht wegens schuldig verzuim gaat morgen onverbiddelijk in.

Bevlogen en vervlogen (slot)

Ca ne change pas, un homme.
Un homme, ça vieillit. (J. Hallyday)


Als een gebroken man, zijn rolkoffertje achter zich aanslepend, stapt Ferryman uit het vliegtuig dat hem uit Athene terugbrengt.
Het dient gezegd, die zitjes in de binnenlandse propellerkisten zijn niet erg comfortabel.

Ik wacht hem in Sitia Airport op, ondanks het onwelvoeglijk vroege uur.
Niks is erger dan de tristesse die je overvalt als je thuiskomt en er niemand is om je te verwelkomen.
Daarom.
Bovendien blijft onze loyauteit, zelfs na onze breuk, overeind staan.

Een week verbleef hij in de hoofdstad, “escaping to lick my wounds” had hij er bij zijn vertrek nadrukkelijk aan toegevoegd.
Ik vermoedde meteen a lie, hij had er beslist nog wel andere zaken te regelen.

How are you?” vraag ik niettemin.

I try to feel fine“.

Het klinkt aandoenlijk, niet verwijtend. Wij moeten er beiden om lachen.

Fancy a coffee?” Natuurlijk. Altijd.

Drie terrasjes en het samen overlopen van de meest recente lokale gossip later, is Ferryman helemaal opgekikkerd. Als bij wonder is hij weer helemaal zijn oude zelf.

Are you sure you don’t want to stay a couple of days with me?” fleemt hij, terwijl hij op zijn stoep zijn bagage uit mijn autokoffer haalt.

Ik schud het hoofd. Op mijn leeftijd speel je geen spelletjes meer.

I’m sure“, antwoord ik, terwijl ik de wagen start.

Grieken denken maar aan twee dingen. Het andere is eten.

Bevlogen en vervlogen (3)

If little by little you stop loving me,
I shall stop loving you little by little.
If suddenly you forget me
do not look for me
for I shall already have forgotten you (P. Neruda)

Er waren de onderzoekende oogopslagen, de instemmende blikken. Het klaterend gelach om zorgvuldig gekozen herinneringen. De bestofte taal en onzekere aanrakingen van eenlingen. De troostende armen rond te zwaar beladen schouders.

Er waren ook de leugens, de verwijten. De verwoestende stiltes en gesloten deuren. De kwetsingen die men niet langer voor lief neemt.

Wij nemen afscheid.

Het verlies was er al voor het einde,
de tranen voordat het afscheid kwam.

Ik kijk achterom en als ik naar Ferryman kijk, weet ik ineens niet meer waarom.

Bevlogen en vervlogen (2)

“Last time I saw you, baby, you looked beautiful.
Now, you look dangerous…”




Ik moet het ootmoedig bekennen, ik heb zo mijn zwakke momenten.
Zo kan ik bijvoorbeeld niet keihard de levende poep pijnigen
uit een man, die godganse dagen aan mij blijkt te denken
en reeds dik drie uren op een warm terras op mij zit te wachten.

Wij hadden inderdaad a lot to talk about.
Het scheppen van enige klaarheid in wat ik al op een onvervalste Griekse tragedie uit zag draaien was hier aan de orde.

“I will be waiting for you all morning, baby”.

Netjes afgeborsteld zag Ferryman eruit. Een tikkeltje té zwierig met die borstel tekeergegaan misschien, zijn eertijds volle zilveren haardos leek flink uitgedund. Had ie maar niet zo vaak aan mij hoeven te denken.

Als een springveer wipte hij uit het bloemetjesstoffen zeteltje – die knie moet nu wel in orde zijn – en viel me sweetheartend om de slanke hals .

Ik was verwittigd. Griekse mannen zijn orakels. En het zijn leugenaars. Het ligt voor de hand, je kan niet twintig uren per etmaal nauwelijks naar adem happend doordrammen zonder dat er creatieve onnauwkeurigheden in je verhaal opduiken.

Geamuseerd aanhoorde ik Ferryman’s lange verhaal, hij luisterde op zijn beurt ernstig en instemmend knikkend naar de resem ontradende argumenten waarom I wasn’t looking for a relationship.

“My gentleman’s word, darling, I will respect your privacy”.
Tot zover onze agreement.

Verstandige, begripvolle mannen kan ik naar waarde schatten.

Bevlogen en vervlogen (1)

“Just a walk, not a marriage proposal…”
(Jack Nicholson in “Something’s Gotta Give”)


Het is vrijdag, een schitterende luie dag. En er is geen excuus om de wekelijkse Vlamingen-in-Kreta-koffieklets onder de sinaasappelboom op het terras van Vassili te missen.
Om 10u30 GMT (Griekse Misschien Tijd) staat ons tafeltje klaar, 11u kan ook nog.

De vogeltjes hebben mij wakker getjilpt. Ik luister naar hun vrolijk gekwetter, het énige geluid in de wijde omgeving. De zon kruipt omhoog en streelt mijn nek, terwijl ik in de tuin de rozen knip en mijn ontbijttafel dek.

De eitjes heb ik sunny side up gebakken en de toast met olijfolie ingestreken, de te zwarte romige koffie doet mijn vingers tintelen.
Zou ik best achterwege laten, zei mijn arts ooit. Net als mijn sigaretten. Hij kent nog niet half mijn dagelijkse consumptie.

Ik hoor gestommel op de zijtrap, die van de anonieme straat naar mijn voordeur leidt. Het gekraak van door de hitte gebarsten betontreden verraadt een mannenstap.

Ferryman.
Zo wordt de mysterieuze reder uit Athene hier genoemd.
De golden unreachable voor alle smachtende Britse Eastenders, die hier wel vaker last hebben van te veel rust, een niet meer zo significant other en opspelende hormonen.
En met giftig-flirtige onschuld elkaars competitie te lijf gaan.

Ik ontmoet hem voor het eerst, hij verblijft slechts zelden in het
oude huis dat hij in mijn bergdorpje heeft opgeknapt en hult zich bewust in een low profile waas.

“Of hij mij de sleutel mag overhandigen van de wagen, of eerder het wrak, dat al een paar jaren onbeheerd in de straat staat en volgende week weggetakeld wordt?

“No problem, Sir”.

Geen tamtam in de brousse van Toubacouta die je sneller am laufenden houdt dan de Kretenzische geruchtenmolen.
Nauwelijks heb ik mijn derrière in Vassili’s behaaglijke zeteltje geplant, krijg ik mij daar mijn buurvrouw Cheryl aan de lijn, buiten adem, een tikkeltje tipsy ook, het is ten slotte al aperotijd.

“Ferryman fancies you! Really, darling. Woo hoo, yes! He’s telling everyone he met you this morning. He is completely out of his mind. He’s gone crazy about your little red dress!”

Cheryl’s vermaarde beschonken welbespraaktheid hoeft voor geen ene meter voor de al even beruchte Griekse ontvlambaarheid onder te doen.

Drie woorden heb ik met Ferryman gewisseld.
En nog eens vijf zinnen, als ik hem begroet op het jaarlijkse plaatselijke dorpsfeest vier weken later. En hem bezweer dat het “no problem, Sir” is, als hij zich verontschuldigt dat hij, als gevolg van een knie-operatie, niet met mij kan dansen.
“But, I’ll be delighted to dance with you next year”.

Een paar maanden later.
Ik ben op weg naar Athene, waar ik een vlucht naar Brussel zal nemen.
En raak op Sitia Airport in een hoogoplopende discussie verwikkeld met een politieagent, die mijn bagage op de loopband wil screenen terwijl de Olympic baliebediende op identiek hetzelfde moment mijn bagage op zijn loopband wil inchecken.

Hulp komt uit onverwachte hoek.
Ferryman, ook op weg naar Athene, waar zijn moeder na een jarenlange ziekte overleden is.

Wij keuvelen wat bij een frappé. Dit is nieuw voor mij. Hoe verloopt zo’n begrafenis? Wil ik weten.
Wanneer kom je terug, sweetheart? Wil hij weten.

Sweetheart? Ik ril bij het woord.

Een paar weken later ril ik nog steeds, van de kou in België ditmaal. En bij het snel naderen van mijn volgend vertrek.

“We have a lot to talk about, baby“.
Deze boodschap loopt over mijn mobieltje.
Baby?? Baby!!

Het beste dat wij van mensen kunnen verwachten, is dat zij vergeten, zei de wijze Mauriac.
Nou, wat mij betreft.

I will sing for you now

“Laten we zolang mogelijk zingen onderweg,
de weg wordt er minder eentonig door” (Vergilius).

Op de terugweg van Heraklion naar Sitia, ter hoogte van het dorp Skopi, ligt een oude man naast de baan, zijn hoofd op een goedgevulde groot formaat boodschappentas. Je denkt meteen, daar is iets gebeurd.
Hoewel, er gebeurt nooit iets in Skopi.

Voor ik goed en wel op mijn rem ga staan, veert de man recht en rukt het portier open.
Sitia?” vraagt hij onvast. Overbodige vraag, verder dan Sitia leidt deze weg dus niet.

Het duurt wel even voor ik de entertainment- en voedselpakketten, die ik op zo’n lange trip steevast naast me heb liggen, op de achterbank heb gekeild.

Hij neemt plaats, een wolk van ongewassen onfrisheid en rakidampen slaat in mijn gezicht.

Ik draai mijn raampje nu volledig open en vertrouw verder op de goede werking van de Ocean Breeze Car ontgeurder.

Souedia? Ollandia?” vraagt hij. Steeds hetzelfde liedje.
Alsof er in Belgio geen blonde vrouwspersonen rondlopen.

Hij voelt zich duidelijk op z’n gemak, meer dan ik althans.
Kijkt naar de achterbank en vraagt of ik die appel vandaag nog wou opeten.

Neemt een paar flinke happen, kijkt nog eens achterom.
Do you like music?
Of course I do“, antwoord ik naar waarheid, moeilijk er onderuit te komen met de vele cd’s op de achterbank.

I’m a singer.” Opgezwollen fierheid. Onverholen lach in zijn ogen. Verwacht mijn ongeveinsde verrassing.

Oh, are you?

Het startsein is gegeven. Geen houden aan. Jarenlange herinneringen aan plaatsen, data, gelegenheden ratelen aan mij voorbij. Heimwee en vergane glorie.

De appel is op, hij veegt zijn mond aan zijn mouw af.
My name is Ignatios. I will sing for you now.

Tot ik Ignatios in het centrum van de stad uit de wagen laat, heeft hij ononderbroken gezongen. Soms krakerig, soms neuriënd omdat hij zich de woorden niet meer kon herinneren.
Maar met een blijheid en een overgave die mij toch wat onthutst achterlaten.

At Christmas, or when you have company, I will come to your house and sing for you, call me!” voegt hij er tot afscheid nog aan toe.

Ik heb zijn telefoonnummer niet gevraagd.

De Zonderling

Heb je toevallig zo’n dagje waarop je sterk sociaal afwijkend gedrag vertoont en elk levend projectiel het liefst een muilpeer zou verkopen,
dan blijf je best weg uit de plaatselijke supermarkt.

Deze zaak is immers hét meeting point van de inwijkelingen. Het is dan ook de enige zaak die onze verwende allures tegemoet komt : ruim assortiment, pittige prijzen en alhier toch unieke van 8 tot 8 en 7 op 7 openingstijden.

Heb je een bekkie waar genetisch geen Griekse klanken uit rollen,
dan is er geen ontkomen aan. Je start met een proviandlijstje waar je
een halfuurtje voor hebt uitgetrokken, en je eindigt met die zwanzers steevast op een terrasje waar je na drie uren nog steeds pompend rondhangt.

Harvey is de enige man die aan deze vorm van sociale controle weet te ontsnappen. Elke morgen staat hij als eerste aan de toegangsdeur.

Een zonderling is hij. Zijn grijze baard reikt tot zijn navel, zijn uitdunnende haren in een vlecht tot halfweg zijn rug.
Steevast met de fiets, een uitgerafelde jeans tot boven zijn knieën en een witte singlet. Zijn verweerde huid is zo diep bruingebrand,
dat het lijkt alsof hij uit de tropen komt.

Knikken hoef je naar hem niet te doen, hij ziet je niet. Over zijn troebele ogen hangt een draperie van jarenlang intens, oeverloos verdriet. Op je “Hi, Harvey!” antwoordt hij niet. Elk woord is in eenzaamheid verstomd.

Het was ooit anders.

Harvey is een op en top Brit. Een man in bonis, hij bouwde voor zijn
gezinnetje het grootste witmarmeren paleis dat je hier in de wijde omtrek aan kan treffen. Loyaal omgeven door een staf personeel, bracht Harvey met vrouw en zoon er talloze verdiende en overgelukkige zomervakanties door.
En telkens verheugden zij zich reeds op het einde van hun te actieve loopbaan en het begin van hun passief oudedaggenieten.

Tot zijn vrouw die vreselijke winterse vooravond haar moeder voor het familiekerstfeest ophaalde, haar wagen over het onverwachte sneeuwtapijt heenslingerde en beiden tegen een boom uit het leven weggleden.
Hoewel nauwelijks vijftig, maakte Harvey ook een einde aan zijn leven, zijn “Britse” leven.
Hij verkocht al zijn bedrijven, voorzag hun inmiddels volwassen zoon in een ruim levensonderhoud, en vluchtte.

De oude huishoudster behield hij, de chauffeur, de tuinman, de schoonmaaksters gingen eruit. En al zijn vrienden.

Hij praatte nooit meer. Hij sloot zich op met zijn boeken en zijn muziek. Hij sloot zich af met dagelijks  gewroet in zijn park en zijn olijfgaarden.

Naar het jaarlijks zomerbezoek van zijn zoon echter keek hij telkens weer reikhalzend uit, in de trekken van zijn twee kleindochtertjes
vond hij die van zijn vrouw steeds scherper terug.

Hij belde rond de middag. “Hi Dad, wij zijn net met de ferry aangekomen, maar onze wagen is zopas achteraan geramd.
Maar geen erg hoor, iedereen fel geschrokken, maar ongedeerd. Niks onherstelbaars. Wij zijn er over een kwartiertje, Dad“.

De volgende ochtend werd zijn zoon echter niet meer wakker.

De volgende jaren kwamen ook zijn kleindochtertjes niet meer op bezoek.

Harvey’s ongehuwde zus, mijn lieve vriendin Stella, heeft toen haar united-kingdom verlaten om in haar broer’s nabijheid te blijven. Ook Harvey wordt een dagje ouder.
En een ongeluk is gauw gebeurd.

“Rosy Cheeks” Rosie

Rosie had zwaar ingezet op de hoornen komboloi en het juwelensetje die ik op de veilingsite ten voordele van het plaatselijk hondenasiel had geplaatst.
En had die gewonnen.

Met een frons om de neus had ik haar dan ook uitgenodigd om de nu wel kostbare spulletjes op een terrasje in het centrum in ontvangst te nemen. Frons, omdat ik mij glashelder onze eerste ontmoeting herinnerde, waar Rosie vakkundig opgetut en onder invloed verscheen, in de vaste overtuiging dat Grom nog een happy-go-lucky vrijgezel was, of althans by no means gehinderd door enige commitment whatsoever. Volkomen aandoenlijk allemaal.

Zij reageerde meteen. “Saturday morning, right? Is Grom coming with you?”
Ja, hij zou langskomen, wellicht iets later, beloofde ik.
Dat hij elk voorstelbaar excuus had opgediept om onder de afspraak uit te komen, zeg je als weldenkend mens toch niet?

Ik schrok me de pleuris als ik haar op het bankje bij de fontein zag zitten. Rosie?
De vrouw die vorig jaar haar comfortabele job voortijdig was uitgevlucht om eindelijk permanent te kunnen genieten van haar zonovergoten huisje tussen de wijnranken?
De vrouw die eveneens de zoete verleiding van de fles niet had weerstaan en deze eenzame, stille moordenaar als minnaar had genomen?

Met rozige wangen nipte zij aan haar tweede glas wijn, terwijl zij onafgebroken vertelde hoe welstellend zij wel was. Zo en zoveel op de bank in Engeland, zo en zoveel hier op de bank, zo en zoveel geschonken door haar ouders die hun riante huis in Londen hadden verkocht, zo en zoveel nog te verwachten ook. I’m lucky, you know.

Niet in de mogelijkheid het gesprek een andere wending te geven, concentreerde ik me op de grauwe kleur van haar onopgemaakt gezicht, haar lege ogen, haar doffe haren, haar vormeloze, oude groene trui. Haar afgeschilferde goudkleurige nagellak met een vuil randje.
Zoekend naar iets dat mij van haar huge amount of luck kon overtuigen.

Zij zag als eerste Grom het terras opwandelen.
“Hi Rosie, long time no see. How are you?”
“I’m fine, Grom. I’m a millionaire’s daughter”.

Arme vrouw.

De Hollander van Ierapetra

Paul Herman Felix Kuijpers 1939-1971

Gisteren herdacht men het 48-jarig jubileum van het overlijden, op 9 september 1971, van de Nederlandse agronoom Paul Kuijpers, die de pionier was van tuinbouwkassen in Griekenland en vooral in Ierapetra, waar hij “De Hollander” (O Ολλανδός ) werd genoemd.

Dit is de man, die de levens van de mensen in Ierapetra ingrijpend wijzigde en hun woonplaats veranderde in een tuinbouwkasparadijs, in een tijd dat er armoede was omdat het toerisme nog volledig onderontwikkeld was.

Paul Kuijpers begon in 1963 te experimenteren met tuinbouw op het Griekse eiland Syros. Drie jaar later, in 1966, ging hij naar Ierapetra in Kreta en vestigde zich daar met zijn vrouw, met wie hij twee dochters had, waarvan er één na zijn dodelijk verkeersongeval werd geboren.

Paul Felix Herman Kuijpers, zoals zijn volledige naam was, leerde de inwoners van Ierapetra hoe groenten en gewassen te telen in kassen, terwijl hij nieuwe variëteiten planten uit zijn geboorteland importeerde.

Aanvankelijk was de teelt in de kassen van Ierapetra geconcentreerd op komkommers, maar geleidelijk begonnen andere soorten te groeien, wat leidde tot een eigenaardige landelijke “revolutie” van de plaats en een meer dan gemiddelde welstand voor de inwoners.

Uit erkentelijkheid voor hetgeen Paul Kuijpers voor hen had betekend, lieten zij de uit de streek afkomstige kunstenaar Frixos Theodosakis een bronzen buste van hem maken, die op 11 september 1977 in het naburig dorp Gra Ligia werd onthuld.

De Laatste Prikkels

U weze gewaarschuwd. Grom is de man van de wandrekjes. Laat hem vooral niet alleen met wat beschikbare vierkante ruimte op je muren, want hij moet en zal er een decoratief, vermoedelijk gerecycleerd, rekje plaatsen. Waarop dan bij voorkeur cacteeën in toenemende grootte en/of lelijkheid worden geëtaleerd.

Toegegeven. Het rekje aan de buitenmuur van Villa Gisele (*) stond er een tijdje verweesd bij. De vier piepkleine metalen potjes met prikbladeren waren niet van aard om een toevallig voorbijkomende liefhebber van zijn sokken te blazen. Uit pure deernis kocht ik er nog vier bontgeschilderde mexicaantjes bij en toen stokte het aanbod dramatisch.

Ben je op zoek naar het onvindbare, dan kan slenteren in een schroot-, brocante- en inboedelmagazijn al eens verhelderend werken. Grom liet zijn oog vallen op een tiental oude vloertegels, die hij bij de renovatie van zijn studio wou gebruiken.

Samen met de hoogbejaarde Griekse eigenaar van de opslagplaats, hevelde ik de zware tegels over in een paar stevige tassen. Geheel in lijn met zijn credo, zelf niets te doen dat door een ander kan gedaan worden, verdween Grom in het gebouw. Het irriteerde mij en analoog met mijn bloeddruk, swingde ook mijn mood de pan uit.

Ik lummelde wat rond, verbaasde mij over de enorme hoeveelheid opgeslagen rommel en voelde een diepe compassie met diegene die deze meuk ooit zou erven. Beneveld door het stof en de kwalijke geuren, zocht ik algauw naar een uitgang en vond er Grom terug. Die, net als ik, plots oog in oog stond met 4 eenzame espressokopjes op de laatste volgestouwde kast. Vier petieterige witblauwe kopjes, voor vier petieterige cactusplantjes.

Met opgeheven handen droeg Grom zijn kopjes naar buiten, alsof het hier Fabergé-eieren betrof. Negeerde straal de opa Griek, wikkelde zijn schat op de parking omzichtig in het strandlaken dat op de achterbank lag en nam afwachtend plaats in de wagen.

Verbluft, sprakeloos, wezenloos, vol ongeloof staarden opa en ikzelf in zijn richting. “What about your fucking tiles?” Ik rekende af, wou de zware tassen van de grond tillen… het enige wat bewoog waren mijn knieschijven. Opa keek mij met een veelzeggende blik aan, deed alsof hij mijn verwardheid en schaamte niet zag en sleurde eigenhandig de tassen een voor een naar de wagen.

Ik was razend, ziedend, woest. Beloofde Grom zijn gezicht ermee open te rijten als hij nog 1 cactus naar huis bracht en trakteerde hem op een week silent treatment. Hij heeft sindsdien zijn stomme planten wijselijk in zijn studio ondergebracht.

(*) Nvdr : Villa Gisele is onze woning in het comateuze bergdorp nabij Gouves, die wij permanent bewonen. Andere woonsten in mijn verhalen betreffen Arthouse, het huis in Heraklion dat wij gedurende vijf jaar semi-permanent bewoonden, en Clive’s Studio, het kunstenaarshol van Grom in de onmiddellijke buurt van de villa.

Het Ontrouwe Vriendje

voetjes_water

@Siteia (Kreta), zomer 2009

“Om een vriend te vinden moet men één oog sluiten. Twee om hem te houden” (Norman Douglas)

Mijn vriendje, de olijke man die volop aan het verkassen is van zijn rustig optrekje in de bergen naar zijn nieuwe woonst in de stad – waar een half bataljon schilferkoppen zich op dit eigenste moment de naad uit het gebronsde lijf werkt om alles tijdig beplaasterd, betegeld, beglaasd, geschilderd en aangesloten te krijgen – en van wie je dus normaliter zou verwachten dat hij, zo niet met vleesgeworden stress, dan toch op zijn minst met erectiele dysfuncties rond zou lopen, zit breedlachend – in uitsluitend vrouwelijk gezelschap – op een terras aan zijn zoveelste koffietje te nippen.

Hij veert recht als hij me aan ziet komen.

“Agapi mou, why is the colour of your eyes changing?”

Ik besluit mijn twéé ogen te sluiten, Norman Douglas indachtig.

“What’s wrong, agapi? Oh come on. I know something is bothering you, I gave you birth”.
Waarmee hij dan poenerig bedoelt dat hij me door-en-door ként.

Verkeerde interpretatie, maat, ik voel me gewoon pissig en wil naar huis, R.E.M. op maximum geluidssterkte horen, in bed kruipen, mezelf uithongeren. Wèg van hem. Hij voelt zich gewoon betrapt en wil zo snel mogelijk van die vrouwen af.

Ik besluit ook mijn mond maar te sluiten. Een hele opgave voor mij.

“Please, do sit down and have a coffee. Please ??? Do you want me to tell everyone in Siteia that I love you?”

“Most certainly NOT. I will break your legs”.

Hij draait zich naar het tafeltje, raapt zijn mobieltje en sigaretten bijeen. De verbazing op de gezichten van zijn gezelschap is groot, de verwachting nog groter.

“I love this woman. But she doesn’t want to marry me”.

Waarop twee hangwichten  als een springveer uit hun stoeltje omhoog schieten en totaal verbluft haperend uitroepen : “But, but, but…. I… I… will marry you, agapi mou !!!

Slik. Nogmaals slik. Aan menig mens is niets zo echt als zijn masker. Hier houdt het dus wel op, sweetheart.