Sprietgriet

Helden leggen niets uit. Zij doen“.



Haar sproetjeshuid zit als folie rond haar knoken getrokken.

Duidelijk een teveel aan raki, saffies en foute mannen.

In een welgevormder verleden verliet zij haar kneuterige tulpenbollenkerel voor een nieuw leven met een aan wal gespoelde Zeus. En meerde in zijn kielzog aan op mijn stukje eiland.

Het sprookje duurde tot haar tanden even los stonden als zijn handen bleken te zijn.

Deze ervaring rijker, besloot zij zich in de veel kortere armen te gooien van een liefsnoeterige en fors besnorde zeeman, net als zij na een woelig bestaan op zoek naar rustiger en alcoholvrijere wateren.

Ans H. is verpleegster in ons plaatselijk ziekenhuis.

Beter nog, een verpleegster die Nederlands spreekt. En al helemaal onverklaarbaar, het enige medisch betrouwbare creatuur in gans het ziekenhuis. Niemand die het aandurft haar diagnoses en gezag in vraag te stellen.

Ik leerde Ans kennen toen zij met zachte woorden een Nederlandse vriend langzaam uit de coma peuterde waarin hij was weggezonken.

Zij aan zij wroetten, stampvoetten wij maandenlang om hem opnieuw te leren praten, lopen, functioneren, leven. Zoals gebruikelijk op dit eiland, hebben wij hiertoe ongegeneerd getierd, gedreigd, achterovergedrukt, gecorrumpeerd.

En toen hij herstelde, buitensporig gelachen, gedronken, gedanst, gefeest.

Tot Ans plots verdween. Op non-actief gezet door het ziekenhuis met het dringend verzoek “iets aan haar drankverslaving te doen“.

Ik zag haar nooit meer terug. Engelen hebben vleugels.

Sitia, Kreta, 2008 📸Tim Mossholder





Kakos Dromos

Grom beweert, dat ik een amazing ability heb to attract weirdos. Hij kan het weten.

Wij keren even terug naar oktober 2009.

📸 Ricki Krause

Opgewekt zingend en zwevend op een wolk van nauwelijks beheersbare vrijheid, ben ik op de terugweg van Heraklion naar Sitia, toch algauw een rit van dik twee uren.

Het zou me dus niet verbazen, dat er langs de baan wel ergens een zonderling figuur op een lift staat te wachten.

Zij staat daar dus te wachten. Aan de bushalte, op de bus die niet komt.

In tegenstelling tot de lifters, die ik al eens pleeg een eind verder te brengen, staat zij niet wild met haar duimen, een Jumbo-boodschappentas of een benzinevulfles radeloos in de lucht te zwaaien.

Neen, zij staat en wacht, een dozijn plastic tassen aan haar voeten, een sjaaltje over het hoofd en wel drie pulls en jassen om haar uitdijend lijf gespannen. Dit valt mij op, het is vandaag bepaald een warme, nazomerse dag.


Nieuwsgierig geworden, stop ik een eindje verder om haar op te pikken, ik weet intussen dat dergelijke onverwachte ontmoetingen variëren van hoogst bizar tot hoogst vermakelijk en wat gezelschap kan de bochtige rit door de heuvels enkel maar opfleuren.

De gevulde dame en dito zakken nemen plaats vooraan, no way dat zij die in de kofferruimte wil achterlaten. Ochi, ochi. Zij spreekt enkel Grieks en stoort er zich duidelijk niet aan dat ik maar één woord per dertig uitgebrachte versta.

Een uur later zijn wij het erover eens, dat ik géén toeriste ben, géén Duitse, de Belgische wegen zoveel beter zijn dan de Kretenzische, en wij beiden in Sitia wonen.

Giatros, gilt ze, als ik haar duidelijk wil maken wat ik doe. Grieken verslijten je algauw voor een dokter als zij niet begrijpen wat je bezigheid is. Ochi, ochi! Ik haast mij om dit met klem te ontkennen, want na een blik op haar diverse lagen bovenkleding en gezien haar nu toch wel opgewonden staat, schat ik de kans hoog in, dat ik haar zo meteen mond-op-mond zal moeten beademen. Te meer, hoe zeg je nu in aanvaardbaar Grieks dat je je dagen in ledigheid slijt?

Zij zet zich aan het schrijven, op stukjes papier die zij uit een krant scheurt. Vreemd vind ik dit, het is welhaast onmogelijk in de auto om het even wat neer te pennen als je zwaartepunt zich om de twintig meter in een bocht verlegt.

Telkens een kapel of een kerkje in haar vizier opduikt, houdt zij op met kribbelen en slaat zij driftig een kruis. Ik heb inmiddels mijn snelheid al danig aangepast, wat zoveel wil zeggen als dat ik niet om de haverklap uit de bocht vlieg.

Zowat een kwartiertje voor aankomst, slaat zij plots in een kramp.” Siga, siga“, roept zij (rustig,rustig), “dromos kakos” (slechte weg). Zij slaat nu verwoed het ene kruis na het andere, in paniek en tot horensdul toe herhalend dat de dromos kakos is. Geen nieuw gegeven, die weg heeft er sinds mensenheugenis nooit goed bij gelegen.

Bij haar huis aangekomen, wordt zij kalm en start haar normale conversatie opnieuw. Ik meen hieruit op te maken dat zij mij mordicus in haar huis wil uitnodigen om mij te bedanken voor de (veilige) rit.

Geen dank, hoor – ik voel mij nu als het paard dat zijn stal heeft geroken – en geen tijd, hoor, ik moet nog een en ander in huis halen voor sluitingstijd, vertel ik haar, zij het met niet zoveel woorden.

Natuurlijk verstaat zij mij niet, dringt aan. Ik haal er, bijna wanhopig nu, een koppeltje voorbijlopende Grieken bij, met enige noties van courant Engels, die er haar kunnen van overtuigen dat het graag gedaan is en een volgende keer dan maar.

Vooraleer haar collectie plastic zakken bijeen te graaien, stopt zij mij een van de gescheurde krantenpapiertjes toe. Haar beide telefoonnummers staan erop.

De Oppas

In haar eigen bed slaapt Ivona nooit. Want dat heeft zij niet.
Zij bezit enkel een nieuwe mountainbike, wat eenvoudige kledingsstukken en een lijvig Pools-Engels woordenboek.
En een meer dan behoorlijke portie lef.
Dat moet je haar nageven.

Je ontmoet haar dagelijks, al fietsend, haar bezittingen netjes in een rugzakje.
Niemand weet wanneer en hoe zij op mijn stukje eiland strandde.
Zij vertelt het ook niet zo gauw, haar vertrouwen is al even zoek als haar kennis van het Engels.

Ivona is een puur natuur Poolse midvijftiger, delicaatblonde haren, viooltjesogen.
Einzelgänger. Slank en taai. Onafhankelijk en vastberaden.

Zij is housesitter.
Telkens iemand van onze inwijkelingenkolonie voor een al dan niet langere poos naar zijn geboorteland trekt voor familiebezoek of een andere ingreep, wordt Ivona ingehuurd om tijdelijk in te wonen en het huis met de eventueel aanwezige katten, honden of tuin te onderhouden.


En dus hoeft zij geen eigen stekje, zij verhuist fietsend haar pezige lijf en schamele spulletjes van de ene woning naar de andere.

Ik ontmoette Ivona in het piepkleine huisje van een Engelse dame-met-stamboomkat.
Het eenkamerhuisje onderhouden was niet zo meteen de opdracht, zo bleek.
Er was trouwens geen onderhouden meer aan.
Alles, maar dan ook alles, was langsheen de muren opgestapeld in een kamerbrede wolk van stof en pluis.
Zij moest er enkel zorg voor dragen dat het de dure kat aan niets ontbrak en dat de lady het mormel bij haar terugkeer goed doorvoed, met glanzende pels en uiteraard niet met rigor mortis aan zou treffen.

Ik zocht een babysit.
Meer bepaald een deeltijdse oppas annex gezelschapsdame voor een zieke vriend.
Een klokrond oog moest in het zeil worden gehouden nu hij uit het ziekenhuis was.
Eigenzinnig en onverwoestbaar, verkoos hij zijn zuurstofslurfje en medicatie al eens te “vergeten”, alsook het feit dat hij echt te zwak was om al op eigen benen te staan.

Maar boodschappen moeten wel eens tussendoor gehaald worden, een terrasje en een frisse neus gepikt ook, een haarsnit en nieuwe jurk al evenzeer, dus daar zou Ivona zolang voor mij kunnen invallen.


Wij werden het gauw eens over de agenda en de voorwaarden, vrouwen lullen doorgaans niet lang over zulke banale dingen.

Het werd een fijne tijd.
Tot mijn vriend in staat was zich met een looprekje te verplaatsen, schonk trouwe Ivona mij de unieke kans enkele uren te ontsnappen.
De warme zee in, de ruwe natuur in, de herstellende vergetelheid in.

Ik toeter mij suf en zwaai mijn armen lam telkens ik haar voor mij uit zie fietsen.
Mijn Poolse zwerfkat, mijn dakloze lefgozer, mijn reddende engel.
Een godvergeten onvergetelijke vrouw.

Mrs. Misiti

Erger nog dan zomaar een spijtig voorval – waarvoor wij ons oeverloos zouden verontschuldigen – is het in deze contreien een vanzelfsprekende wetmatigheid dat elk evenement minstens een uur later begint dan is vooropgesteld.

Een antiek koppel – zoals wij dan zijn -vindt het dus maar zaak en leert het niet af om reeds om 20:30 acte de présence te geven als een voorstelling om 21:30 begint. Of zou moeten beginnen.

Niet zo de Griek. Die duikt om 21:30 nog de douche in en stuurt alvast iemand vooruit om de nodige plaatsen voor de familie en aanverwanten voor te behouden.

Die iemand is dan bij voorkeur een vrouw van rijpere signatuur en/of omvang, bereid om haar leven of wat er nog van overblijft, op te offeren voor de niet minder dan 10 zitjes waar haar dierbaren hun hygiënisch frisse achterste zullen gaan parkeren.

Die iemand moet dan ook bij voorkeur enige ballast kunnen torsen, want de 10 zitjes worden middels handtassen, jassen, pulls, sjaals, brillen en flesjes water ten zeerste ontoegankelijk gemaakt voor de vermaledijde die ook op de voorste rijen wil gaan plaatsnemen.

Is dit alles nog niet voldoende, dan zijn een vlotte woordenstroom, een schril stemgeluid en wapperende handen en armen de middelen bij uitstek om veiligheidshalve helemaal achteraan uw toevlucht te zoeken.

Dit allesbehalve genoegen had ik dus toen zo’n Mrs. Misiti haar boze oog op mijn rij liet vallen. Haar ruime, propere familiekring terwille, schoof ik zelfs twee stoelen op en nam voor lief haar encombrant jojogedrag telkens zij een insijpelende bekende opmerkte en in haar liefhebbende armen sloot.

Met telkens een lichaamsdeel van mij erbij. Soit.

Dit alles in een openluchttheater dus. Ik bedoel, openluchtiger kon het geheel niet zijn. Stel je het plaatje voor. Buitenlucht, bomen, avondbries, zuurstof… en een massa Grieken die het roken hebben opgegeven om bezuinigingsgerelateerde redenen.

Ik niet. Anderhalf uur wachten, zonder sigaret, het is mij teveel gevraagd.

Ik waag mij aan eentje, want in de buitenlucht. Blaas de rook richting Grom, want die verbaast zich daar niet meer over.

En heb de toorn van Mrs. Misiti over mij gehaald. Een Grieks drama uit de eerste hand.

Met veel om- en verhaal is zij vier stoelen verder gaan zitten en haar blikken vol weerzin hebben mij de ganse avond gezelschap gehouden.

Gerookt heb ik niet meer. Mij enkel de bedenking gemaakt dat ik mij een volgende keer mijlenver uit haar Kretenzisch gezichtsveld zal houden.

Bevlogen en vervlogen (2)

“Last time I saw you, baby, you looked beautiful.
Now, you look dangerous…”




Ik moet het ootmoedig bekennen, ik heb zo mijn zwakke momenten.
Zo kan ik bijvoorbeeld niet keihard de levende poep pijnigen
uit een man, die godganse dagen aan mij blijkt te denken
en reeds dik drie uren op een warm terras op mij zit te wachten.

Wij hadden inderdaad a lot to talk about.
Het scheppen van enige klaarheid in wat ik al op een onvervalste Griekse tragedie uit zag draaien was hier aan de orde.

“I will be waiting for you all morning, baby”.

Netjes afgeborsteld zag Ferryman eruit. Een tikkeltje té zwierig met die borstel tekeergegaan misschien, zijn eertijds volle zilveren haardos leek flink uitgedund. Had ie maar niet zo vaak aan mij hoeven te denken.

Als een springveer wipte hij uit het bloemetjesstoffen zeteltje – die knie moet nu wel in orde zijn – en viel me sweetheartend om de slanke hals .

Ik was verwittigd. Griekse mannen zijn orakels. En het zijn leugenaars. Het ligt voor de hand, je kan niet twintig uren per etmaal nauwelijks naar adem happend doordrammen zonder dat er creatieve onnauwkeurigheden in je verhaal opduiken.

Geamuseerd aanhoorde ik Ferryman’s lange verhaal, hij luisterde op zijn beurt ernstig en instemmend knikkend naar de resem ontradende argumenten waarom I wasn’t looking for a relationship.

“My gentleman’s word, darling, I will respect your privacy”.
Tot zover onze agreement.

Verstandige, begripvolle mannen kan ik naar waarde schatten.

Bevlogen en vervlogen (1)

“Just a walk, not a marriage proposal…”
(Jack Nicholson in “Something’s Gotta Give”)


Het is vrijdag, een schitterende luie dag. En er is geen excuus om de wekelijkse Vlamingen-in-Kreta-koffieklets onder de sinaasappelboom op het terras van Vassili te missen.
Om 10u30 GMT (Griekse Misschien Tijd) staat ons tafeltje klaar, 11u kan ook nog.

De vogeltjes hebben mij wakker getjilpt. Ik luister naar hun vrolijk gekwetter, het énige geluid in de wijde omgeving. De zon kruipt omhoog en streelt mijn nek, terwijl ik in de tuin de rozen knip en mijn ontbijttafel dek.

De eitjes heb ik sunny side up gebakken en de toast met olijfolie ingestreken, de te zwarte romige koffie doet mijn vingers tintelen.
Zou ik best achterwege laten, zei mijn arts ooit. Net als mijn sigaretten. Hij kent nog niet half mijn dagelijkse consumptie.

Ik hoor gestommel op de zijtrap, die van de anonieme straat naar mijn voordeur leidt. Het gekraak van door de hitte gebarsten betontreden verraadt een mannenstap.

Ferryman.
Zo wordt de mysterieuze reder uit Athene hier genoemd.
De golden unreachable voor alle smachtende Britse Eastenders, die hier wel vaker last hebben van te veel rust, een niet meer zo significant other en opspelende hormonen.
En met giftig-flirtige onschuld elkaars competitie te lijf gaan.

Ik ontmoet hem voor het eerst, hij verblijft slechts zelden in het
oude huis dat hij in mijn bergdorpje heeft opgeknapt en hult zich bewust in een low profile waas.

“Of hij mij de sleutel mag overhandigen van de wagen, of eerder het wrak, dat al een paar jaren onbeheerd in de straat staat en volgende week weggetakeld wordt?

“No problem, Sir”.

Geen tamtam in de brousse van Toubacouta die je sneller am laufenden houdt dan de Kretenzische geruchtenmolen.
Nauwelijks heb ik mijn derrière in Vassili’s behaaglijke zeteltje geplant, krijg ik mij daar mijn buurvrouw Cheryl aan de lijn, buiten adem, een tikkeltje tipsy ook, het is ten slotte al aperotijd.

“Ferryman fancies you! Really, darling. Woo hoo, yes! He’s telling everyone he met you this morning. He is completely out of his mind. He’s gone crazy about your little red dress!”

Cheryl’s vermaarde beschonken welbespraaktheid hoeft voor geen ene meter voor de al even beruchte Griekse ontvlambaarheid onder te doen.

Drie woorden heb ik met Ferryman gewisseld.
En nog eens vijf zinnen, als ik hem begroet op het jaarlijkse plaatselijke dorpsfeest vier weken later. En hem bezweer dat het “no problem, Sir” is, als hij zich verontschuldigt dat hij, als gevolg van een knie-operatie, niet met mij kan dansen.
“But, I’ll be delighted to dance with you next year”.

Een paar maanden later.
Ik ben op weg naar Athene, waar ik een vlucht naar Brussel zal nemen.
En raak op Sitia Airport in een hoogoplopende discussie verwikkeld met een politieagent, die mijn bagage op de loopband wil screenen terwijl de Olympic baliebediende op identiek hetzelfde moment mijn bagage op zijn loopband wil inchecken.

Hulp komt uit onverwachte hoek.
Ferryman, ook op weg naar Athene, waar zijn moeder na een jarenlange ziekte overleden is.

Wij keuvelen wat bij een frappé. Dit is nieuw voor mij. Hoe verloopt zo’n begrafenis? Wil ik weten.
Wanneer kom je terug, sweetheart? Wil hij weten.

Sweetheart? Ik ril bij het woord.

Een paar weken later ril ik nog steeds, van de kou in België ditmaal. En bij het snel naderen van mijn volgend vertrek.

“We have a lot to talk about, baby“.
Deze boodschap loopt over mijn mobieltje.
Baby?? Baby!!

Het beste dat wij van mensen kunnen verwachten, is dat zij vergeten, zei de wijze Mauriac.
Nou, wat mij betreft.

Het Liftende Buufje

devon-janse-van-rensburg-JJf8DJ0a-ow-unsplash

Daar staat zij, oud en in het zwart gebogen, pal in het midden van de straat en heftig met haar wandelstok zwaaiend, net als ik de heuvel kom afgestormd en dus niet zo meteen ter plekke stil kan staan.

Naar Kato Gouves rij ik“, zeg ik haar voor alle duidelijkheid, terwijl ik mij buig naar de passagierskant om het portier te openen. Die moeite had ik mij kunnen besparen, zij zit al.

Kato Gouves. Paris farmakio?” pols ik voorzichtig. De apotheek van Paris is hier namelijk de landmark en gezien de wild om zich heen slaande crisisgevolgen, ga ik er automatisch van uit dat zij daar moet zijn.

Je zou enige reactie verwachten. Niet dus. Zij vertrouwt de expats niet, zoveel wordt mij duidelijk. Of misschien is zij wel doofstom? Wat volgt, laat zich raden. I’ve been there. Als een razende begint zij tijdens de rit op haar borst te kloppen en kruistekens te maken. Ik voel mijn waardigheid afsterven.

Ik stop aan het kruispunt. “Kato Gouves, farmakio!” gil ik. Zoals een buschauffeur zijn eindhalte omroept. Geen beweging in het mensje te krijgen. Duidelijk niet de minste intentie om uit te stappen.

Zij strekt haar arm naar links. “Gournes!“, roept zij. Niks doofstom. Ik schud mijn hoofd : “Ochi!“, en strek mijn arm naar rechts. “Hersonisso!“. Zij naar links : “Gournes!”.

Ik probeer haar, bijna wanhopig nu, uit te leggen dat ik helemaal niet in Gournes moet zijn. Even toch twijfel ik, of ik haar tot Gournes zou brengen, maar begraaf de hulpvaardige gedachte, bij nader inzien.

Wij blijven, afwisselend armstrekkend, op het kruispunt staan. Dikke tien minuten later stapt zij, zeer onwillig, bijna boos, uit en slaat met een onvermoede kracht met haar wandelstok op de motorkap.

Een volgende keer is mijn naam haas.

De Rake Klap

Het was meteen raak.

Dit was zonder meer het liefste en langste bericht dat Nele ooit in haar mailbox had gevonden. Het meest humoristische ook. Een pennenvrucht waar professionaliteit achter stak. Hij had haar meteen in zijn ban.

Schrijf misschien eens terug?” was zijn overbodige vraag. Dat deed Nele dan ook meteen. Nou, metéén… Geprikkeld en geamuseerd had zij toch eerst aandachtig zijn profieltje met aanbod en vereisten doorgenomen. Mooipraters zàt op datingsites, hoor, en aan het einde van de rit slechts op één ding uit. 

Hij hield van de mensen. Dat zat alvast goed. Mensenhaters horen niet op een dergelijke site.

Hij was heel nieuwsgierig. Nieuwsgieriger dan zij op dit eigenste moment kon hij onmogelijk zijn.

Hij vond heel veel mensen de moeite waard. Daar wou zij dan wàt graag bijhoren.

Zo mogelijk nog belangrijker, was even uitzoeken waaraan het voorwerp van zijn zoektocht wel moest beantwoorden.

Een toffe persoonlijkheid, dat zocht hij. Ja, waarvan je haar nu niet kon beschuldigen, was haar gebrek aan tofzijn.

En zij moest kunnen luisteren, maar ook praten. Nou, een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap had zij, gelukkig maar, nooit hoeven aanvragen.

Echt om andere mensen kunnen geven, was ook een conditio sine qua non. Ach, haar hart was gewoon buitenmaats wat dit betrof.

En minstens proberen anderen te begrijpen. Probéren?? Begrip was haar met de moedermelk ingepompt. Begrip was haar middle name. Begrip had haar hele leven behéérst.

Nele had het even niet meer. Zeg nu zelf, een perfectere match kon een datingsite-administratie zich nauwelijks dromen. Daar zat gegarandeerd een succesverhaal in.

En zij schreef terug. Het langste en liefste bericht dat zij ooit naar een man zou sturen.

Twee dagen voor de langverwachte ontmoeting, had hij haar een foto toegestuurd. Een exotisch kiekje, waaruit zijn savoir en zijn joie de vivre haar tegemoet sprongen.

Als een betonnen blok viel Nele voor zijn duidelijk overgewicht en andere sporen van een weliswaar aangename maar ongezonde levensstijl. Een man naar haar hart. Zij plaatste zijn foto op haar bureaublad.

Zij herkende hem meteen. Ruimtevullende charme, de présence van the rich and famous, goed in het pak, luchtig en zelfbewust, toonbeeld van verloren gewaande galanterie, de lààtste met de hand gemaakte man.

Sprankelende woordenwaterval, onvermoeibaar gas gevend met speelse zinnen, een tapijt van klanken dat de afstand tussen hen millimeterde. Bruisend en briesend. Niet in het minst gehinderd door nederigheid of gebrek aan ijdelheid.

Hij overschaduwde haar, hij overvleugelde haar, hij intimideerde haar, hij intrigeerde haar, hij fascineerde haar. Zij was sprakeloos, zij verloor haar eigen glans. Nele was wèg van hem.

“Helemaal los komen bij hem, zich ongeremd voelen bij hem, dat was zijn wens“, schreef hij haar ’s nachts. “Hij voelde dat het kon. Hij lag nu horizontaal aan haar te denken, hij lag het jammer te vinden dat hij haar nu niet in zijn armen kon nemen“.

Wanneer zie ik je nog eens, en waar, en hoelang“?

Na dit dringend verzoek en na haar daaropvolgende sleepless night, besloot zij de koe bij de horens te vatten. Speels en stout stelde Nele hem een weekendje samen voor. Onvergetelijk zou zij het voor hem maken. En verwachtte hetzelfde van hem. “Bedenk maar wat“.

Zonder aarzelen bestelde zij online een weekendsetje bij de Erotische Verbeelding.

Het erotische verwensetje kwam na twee dagen, zijn antwoord op dit heerlijk vooruitzicht niet. Voorzichtig en discreet stuurde Nele hem na een paar weken een Hallmark e-card voor zijn verjaardag.

Drie weken later had hij de e-card nog steeds niet geopend.

Nele heeft zijn zonovergoten kiek van haar bureaublad verwijderd. Zij had van hem nooit de hemel verwacht, énkel wat hij kon missen.

In haar mailbox stapelden zich inmiddels 52 “Knipoogjes”, “Verzoek-om-Kennismakingshartjes” en tutti quanti berichtjes op. Veiligheidshalve had zij zich op meerdere datingsites een 3 maanden-proefabonnementje laten aansmeren. 

Nele opende ze niet meer.

I will sing for you now

“Laten we zolang mogelijk zingen onderweg,
de weg wordt er minder eentonig door” (Vergilius).

Op de terugweg van Heraklion naar Sitia, ter hoogte van het dorp Skopi, ligt een oude man naast de baan, zijn hoofd op een goedgevulde groot formaat boodschappentas. Je denkt meteen, daar is iets gebeurd.
Hoewel, er gebeurt nooit iets in Skopi.

Voor ik goed en wel op mijn rem ga staan, veert de man recht en rukt het portier open.
Sitia?” vraagt hij onvast. Overbodige vraag, verder dan Sitia leidt deze weg dus niet.

Het duurt wel even voor ik de entertainment- en voedselpakketten, die ik op zo’n lange trip steevast naast me heb liggen, op de achterbank heb gekeild.

Hij neemt plaats, een wolk van ongewassen onfrisheid en rakidampen slaat in mijn gezicht.

Ik draai mijn raampje nu volledig open en vertrouw verder op de goede werking van de Ocean Breeze Car ontgeurder.

Souedia? Ollandia?” vraagt hij. Steeds hetzelfde liedje.
Alsof er in Belgio geen blonde vrouwspersonen rondlopen.

Hij voelt zich duidelijk op z’n gemak, meer dan ik althans.
Kijkt naar de achterbank en vraagt of ik die appel vandaag nog wou opeten.

Neemt een paar flinke happen, kijkt nog eens achterom.
Do you like music?
Of course I do“, antwoord ik naar waarheid, moeilijk er onderuit te komen met de vele cd’s op de achterbank.

I’m a singer.” Opgezwollen fierheid. Onverholen lach in zijn ogen. Verwacht mijn ongeveinsde verrassing.

Oh, are you?

Het startsein is gegeven. Geen houden aan. Jarenlange herinneringen aan plaatsen, data, gelegenheden ratelen aan mij voorbij. Heimwee en vergane glorie.

De appel is op, hij veegt zijn mond aan zijn mouw af.
My name is Ignatios. I will sing for you now.

Tot ik Ignatios in het centrum van de stad uit de wagen laat, heeft hij ononderbroken gezongen. Soms krakerig, soms neuriënd omdat hij zich de woorden niet meer kon herinneren.
Maar met een blijheid en een overgave die mij toch wat onthutst achterlaten.

At Christmas, or when you have company, I will come to your house and sing for you, call me!” voegt hij er tot afscheid nog aan toe.

Ik heb zijn telefoonnummer niet gevraagd.

De Zonderling

Heb je toevallig zo’n dagje waarop je sterk sociaal afwijkend gedrag vertoont en elk levend projectiel het liefst een muilpeer zou verkopen,
dan blijf je best weg uit de plaatselijke supermarkt.

Deze zaak is immers hét meeting point van de inwijkelingen. Het is dan ook de enige zaak die onze verwende allures tegemoet komt : ruim assortiment, pittige prijzen en alhier toch unieke van 8 tot 8 en 7 op 7 openingstijden.

Heb je een bekkie waar genetisch geen Griekse klanken uit rollen,
dan is er geen ontkomen aan. Je start met een proviandlijstje waar je
een halfuurtje voor hebt uitgetrokken, en je eindigt met die zwanzers steevast op een terrasje waar je na drie uren nog steeds pompend rondhangt.

Harvey is de enige man die aan deze vorm van sociale controle weet te ontsnappen. Elke morgen staat hij als eerste aan de toegangsdeur.

Een zonderling is hij. Zijn grijze baard reikt tot zijn navel, zijn uitdunnende haren in een vlecht tot halfweg zijn rug.
Steevast met de fiets, een uitgerafelde jeans tot boven zijn knieën en een witte singlet. Zijn verweerde huid is zo diep bruingebrand,
dat het lijkt alsof hij uit de tropen komt.

Knikken hoef je naar hem niet te doen, hij ziet je niet. Over zijn troebele ogen hangt een draperie van jarenlang intens, oeverloos verdriet. Op je “Hi, Harvey!” antwoordt hij niet. Elk woord is in eenzaamheid verstomd.

Het was ooit anders.

Harvey is een op en top Brit. Een man in bonis, hij bouwde voor zijn
gezinnetje het grootste witmarmeren paleis dat je hier in de wijde omtrek aan kan treffen. Loyaal omgeven door een staf personeel, bracht Harvey met vrouw en zoon er talloze verdiende en overgelukkige zomervakanties door.
En telkens verheugden zij zich reeds op het einde van hun te actieve loopbaan en het begin van hun passief oudedaggenieten.

Tot zijn vrouw die vreselijke winterse vooravond haar moeder voor het familiekerstfeest ophaalde, haar wagen over het onverwachte sneeuwtapijt heenslingerde en beiden tegen een boom uit het leven weggleden.
Hoewel nauwelijks vijftig, maakte Harvey ook een einde aan zijn leven, zijn “Britse” leven.
Hij verkocht al zijn bedrijven, voorzag hun inmiddels volwassen zoon in een ruim levensonderhoud, en vluchtte.

De oude huishoudster behield hij, de chauffeur, de tuinman, de schoonmaaksters gingen eruit. En al zijn vrienden.

Hij praatte nooit meer. Hij sloot zich op met zijn boeken en zijn muziek. Hij sloot zich af met dagelijks  gewroet in zijn park en zijn olijfgaarden.

Naar het jaarlijks zomerbezoek van zijn zoon echter keek hij telkens weer reikhalzend uit, in de trekken van zijn twee kleindochtertjes
vond hij die van zijn vrouw steeds scherper terug.

Hij belde rond de middag. “Hi Dad, wij zijn net met de ferry aangekomen, maar onze wagen is zopas achteraan geramd.
Maar geen erg hoor, iedereen fel geschrokken, maar ongedeerd. Niks onherstelbaars. Wij zijn er over een kwartiertje, Dad“.

De volgende ochtend werd zijn zoon echter niet meer wakker.

De volgende jaren kwamen ook zijn kleindochtertjes niet meer op bezoek.

Harvey’s ongehuwde zus, mijn lieve vriendin Stella, heeft toen haar united-kingdom verlaten om in haar broer’s nabijheid te blijven. Ook Harvey wordt een dagje ouder.
En een ongeluk is gauw gebeurd.