Categorie: Struggling against Madness

Oh My God!

Hier zijn net enkele regendruppels gevallen en de hele goegemeente slaat met woord en beeld in paniek. What’s up, folks?

“Rosy Cheeks” Rosie

Rosie had zwaar ingezet op de hoornen komboloi en het juwelensetje die ik op de veilingsite ten voordele van het plaatselijk hondenasiel had geplaatst.
En had die gewonnen.

Met een frons om de neus had ik haar dan ook uitgenodigd om de nu wel kostbare spulletjes op een terrasje in het centrum in ontvangst te nemen. Frons, omdat ik mij glashelder onze eerste ontmoeting herinnerde, waar Rosie vakkundig opgetut en onder invloed verscheen, in de vaste overtuiging dat Grom nog een happy-go-lucky vrijgezel was, of althans by no means gehinderd door enige commitment whatsoever. Volkomen aandoenlijk allemaal.

Zij reageerde meteen. “Saturday morning, right? Is Grom coming with you?”
Ja, hij zou langskomen, wellicht iets later, beloofde ik.
Dat hij elk voorstelbaar excuus had opgediept om onder de afspraak uit te komen, zeg je als weldenkend mens toch niet?

Ik schrok me de pleuris als ik haar op het bankje bij de fontein zag zitten. Rosie?
De vrouw die vorig jaar haar comfortabele job voortijdig was uitgevlucht om eindelijk permanent te kunnen genieten van haar zonovergoten huisje tussen de wijnranken?
De vrouw die eveneens de zoete verleiding van de fles niet had weerstaan en deze eenzame, stille moordenaar als minnaar had genomen?

Met rozige wangen nipte zij aan haar tweede glas wijn, terwijl zij onafgebroken vertelde hoe welstellend zij wel was. Zo en zoveel op de bank in Engeland, zo en zoveel hier op de bank, zo en zoveel geschonken door haar ouders die hun riante huis in Londen hadden verkocht, zo en zoveel nog te verwachten ook. I’m lucky, you know.

Niet in de mogelijkheid het gesprek een andere wending te geven, concentreerde ik me op de grauwe kleur van haar onopgemaakt gezicht, haar lege ogen, haar doffe haren, haar vormeloze, oude groene trui. Haar afgeschilferde goudkleurige nagellak met een vuil randje.
Zoekend naar iets dat mij van haar huge amount of luck kon overtuigen.

Zij zag als eerste Grom het terras opwandelen.
“Hi Rosie, long time no see. How are you?”
“I’m fine, Grom. I’m a millionaire’s daughter”.

Arme vrouw.

Overgeslagen Generatie

Het aantal verkeersdoden in Kreta neemt angstwekkend toe. Dit jaar liep het aantal reeds op tot 47, een toename met 50% in vergelijking tot vorig jaar. De helft van de doden is jonger dan 35.

Uit een politierapport blijkt, dat Europa in 2018 gemiddeld 54 verkeersdoden per miljoen mensen telde, Griekenland 68.

Met 620.000 Kretenzers en reeds 47 verkeersdoden dit jaar, zullen wij hoogstwaarschijnlijk een score van 100 doden per miljoen bereiken.
De belangrijkste doodsoorzaken zijn overmoed, alcohol en drugs. Onder de verkeersdoden vallen nauwelijks toeristen, die houden zich doorgaans aan de verkeersregels.

De roep om veiligere en betere wegen, handhaving van de verkeerswetgeving en meer controles door de politie en de autoriteiten wordt steeds luider.

In de afgelopen 50 jaar, vonden 120.000 mensen de dood op de Griekse wegen, 350.000 hielden aan een verkeersongeval een blijvende handicap over en meer dan 2 miljoen mensen werden gewond. Een hele generatie werd aldus op dramatische wijze overgeslagen.


The French Connection

Het kan niet anders of Grom’s familie laat zowat in elk werelddeel een onuitwisbaar voetspoor achter. Stel je dan ook Grom’s immense joy voor, toen zijn neef meldde, het mondaine Parijs even achter zich te laten en, met zijn gezin, een vakantie te boeken in Zuid-Kreta om er eindelijk – na 17 jaar – zijn oncle préféré nogmaals in de armen te sluiten.

Het is een beproefd scenario. De Man-met-een-Plan gaat na dit nieuws meteen aan de slag, boekt voor ons een flatje in het Zuiden (je kan toch niet verwachten dat die mensen die hele afstand tot ons lusteloos dorp in een snikhete wagen afleggen?), zoekt internetsgewijs naar de betere eethuisjes in de wijde omtrek (je kan toch niet verwachten dat die mensen denken dat er niets beters te bikken valt dan souvlaki en pita gyros?), en stelt een lijstje op van de must-see’s rond hun vakantieresort (je kan toch niet verwachten dat die mensen een godganse dag in de zee liggen te verrimpelen?).

Ik zag de bui al hangen, zweeg als vermoord en voorzag me van een heftige misdaadroman, waarin het ene lijk nog niet aan rigor mortis toe is als er al een ander bovenop ligt.

Een paar dagen voor ons vertrek mailt Le Neveu & Co. dat zij aangekomen zijn en dat het toch wel fijn zou zijn Mon Oncle reeds halfweg (te weten Agios Nikolaos) even te ontmoeten. Dit is niet meteen een voor de hand liggend voorstel voor Grom, die zware ademhalingsproblemen heeft en zich maar moeizaam verplaatst. Maar voor je familie heb je iets over. Grom plant koffie in Cafe du Lac en een visfestijn bij Pelagos in.

Het weerzien was een succes zonder weerga. Het is een totaal afgepeigerde, maar zielsgelukkige Grom die in de vooravond in huis valt, zijn puffers in de aanslag, zich al verheugend in een nieuwe ontmoeting een paar dagen later.

Het mocht niet zijn. Zoals verwacht – en terecht – had de familie andere activiteiten gepland; de kinderen verkozen de dag met hun nieuwe vriendjes aan zee door te brengen, moeder zou de winkelstraten afschuimen op zoek naar koopjes en vader zou wat in de schaduw chillen, een paar koele Mythos-biertjes binnen handbereik.

Dit viel niet in goede aarde bij Grom, die sikkeneurig zijn ontgoocheling luchtte, terwijl ik in opperste gelukzaligheid op het terras, drankje en snoepje bij de hand, omhuld door het gezinder van honderden tzitzikia (slapen die beesten wel eens?) probeerde gelijke tred te houden met de opgehoopte lijken uit mijn boek. Not a worry in the world.

Grom’s bokkigheid verdween snel, wij besloten na een paar dagen onze tenten op te slaan in het Oosten, waar de Wijzen verbleven, in casu mijn zoon en zijn gezin. Verrukking!

Over een paar weken komt Grom’s “kleine” zus vakantie houden aan onze kust. Geen hap voor de Man-met-een-Plan ditmaal, zij heeft haar lijstje met desiderata alvast doorgemaild. It runs in the family.

Het droeve leven van Lemonia III

Trouwe volgelingen van mijn gekrabbel zullen zich ongetwijfeld de haat-liefdeverhouding, die ik met mijn weerbarstige Lemonia heb, herinneren.

De totebel presteerde het, mijn (nochtans oeverloos) geduld en gepopel te weerstaan en gunde mij verder geen enkele nakomeling meer. Zij tekende hiermede haar doodvonnis.

Met niet minder dan misplaatste fierheid kondigde Grom immers aan, dat hij een nieuwe gardener had gevonden, die alle gewas in en op onze patio eens deskundig onder handen zou nemen, lees : uitroeien. Aggelos heette de nieuwe engel, die meteen kwam aanrukken met een lichte vrachtwagen nieuwe planten, een lading keramieken potten en hopen tuinaarde, van het soort waar je zelfs met een klopboormachine geen litertje water doorheen krijgt. En o ja, met een nieuwe Lemonia, nummer 3 dus.

Met een beroepsernst, bij mijn weten enkel op Kreta te bespeuren (wat mij bijgevolg nog wantrouwiger maakte), verzekerde Aggelos ons, dat wij over dit citroenenboompje over afzienbare tijd enkel lof zouden uitbazuinen. Meer zelfs, dit unieke exemplaar zou ons tweemaal per jaar voorzien van tonnen citroenen.

Niks van dit alles. Helemaal ongevoelig bleef ook dit mispunt voor mijn stille hoop. Groeien deed zij wel, opende bij tijd en wijle zelfs een paar schuchtere witte bloemetjes, gegeneerd als zij (vermoedelijk) was door mijn niet-aflatende goede zorgen, fikse aansporingen en liefdevolle aanrakingen.

Ik besloot haar verder geen blik meer te gunnen. En zie, plots hangt daar zoiets als een prille citroen tussen de bladeren. Eentje. Twee centimeter troostprijs.

Het kan mij geen barst meer schelen. En dat geldt zowaar eveneens voor Lemonia III. Zij heeft immers uit represaille haar meest vervaarlijke stekels opgezet.

Ochtendgetril

Het is moeilijk wennen aan een aardbeving, vooral als het epicentrum zich op nauwelijks 7 kilometer van je voordeur bevindt.

Het was nog vroeg in de ochtend toen, in een soort gebrom, een en ander danig begon te schudden en te schuiven in het kamertje waar ik zat. Het valt me nu op, dat aardbevingen zich meestal voordoen als ik zit. En dat ik van het soort ben, dat blijft zitten. Mij zal je niet als een gebeten hond zien rechtveren of een spurtje naar buiten inzetten, neen, ik blijf gewoon stoïcijns op m’n krent zitten tot de bui overwaait.

Niet zo Grom, die nog in een diepe slaap lag en, door de trillende wereld gewekt, als koeiengek opsprong en naar buiten holde, terwijl hij vergeefs trachtte het laken Socratesgewijs om zijn lichaam te slaan.

Na hooguit een tiental seconden herwon de natuur haar kalmte, er viel geen schade te noteren.

Bedenk echter wat een straf verhaal de toeristen aan de thuisblijvers zullen opdissen…

Walking Disaster

De kans dat ik iets in mijn handen heb, en dat het stukgaat, is 98 procent. Niet voor niets dus dat Grom mij het walking disaster noemt. Het is niet, dat ik vernielzuchtig zou zijn, integendeel, ik ben gewoon chronisch vernielgevoelig.

Toen ik vorige week (wat al te) fluks de versnellingspook in achteruit wou gooien, had ik plots de knop in mijn handen. Die vijs ik er gewoon weer op, dacht ik, nadat ik van de eerste schrik bekomen was en het kleinood nauwkeurig had onderzocht. Bij een eerste poging vloog niet enkel de knop rakelings langs mijn hoofd de achterbank op, ik had bovendien een veer op overschot.

Mijn garagist Dimitri heeft met mij al een heel brokkenparcours achter de rug. Hij keek niet eens op als ik, met veel aarzeling, zijn werkplaats kwam binnengereden.

Of hij zo’n pook mét knop toevallig nog op zijn schappen had liggen? Neen. Maar hij zou mij wel voorlopig uit de brand kunnen helpen, zei hij. Dimitri houdt wel van een uitdaging. En laat mij nu de enige zijn, die hem dergelijke verhoogde kansen kan aanbieden.

Een flinke dosis epoxylijm en de knop zat erop. Een beetje scheef, weliswaar, en het schakelen moest ook enigszins anders, maar ik zou het hele eind naar huis niet hoeven te lopen.

Wat wel bleef lopen, was de lijm. De volgende ochtend zat dan ook de hele schakelpook zo goed als muurvast. Op zo’n pookloze momenten dank je de hemel dat je in de heuvels woont.

Een dag (en 6 koele pinten) later kon ik mijn karretje volledig hersteld weer buitenrijden. Ik blijf het herhalen, ben je zoiets als een brokkentoerist, zoek een goede garagist.