Categorie: Struggling against Madness

Attention, please!

“Ba-betttt?”
Zeurderige klaagtoon. Stijgt op uit de bank waar Boss zich net
uit zijn middagdutje heeft gehoest.
“You’re not paying me much attention”.
Wij zijn net terug van een weekje Istanbul. Ik met een ongekende
energiepiek, hij een beetje ziekjes.
Om 8 u stipt heb ik hem ontbijt op bed gebracht, met een gekruid omeletje
in dat koperen pannetje waarvoor hij mij door de halve Spice Bazaar
heen heeft gesleurd.
“Of ik dat pannetje rechtstreeks op het vuur heb gezet? Misschien toch
beter niet doen, in Turkije bakken ze het omeletje apart”.
Ik sta er niet bij stil, bedenk enkel dat het ontbijteitje morgen zachtgekookt
zal zijn.
Tegen 10 u stipt heb ik de drie koffers leeggehaald, teruggezet wat moet
staan en teruggelegd wat moet liggen, de wasmachine volgestopt,
de afwas weggewerkt, de buren bedankt omdat zij een oogje in het zeil
hielden tijdens onze afwezigheid, de was aan de lijn gehangen, een volgende
machine gevuld, mijn rekeningoverzichten gecontroleerd en de
Griekse comments op zijn fanpagina’s vertaald.
“Can you bring my tea, please?” Het is 10 u stipt.
“I’d like a coffee now”. Het is 11.30 u stipt.
“I’m hungry now”. Het is 12.30 u en is bedoeld als herinnering dat hij zijn
lunch graag om 13 u stipt wil hebben, als hij BBC World News volgt.
Misschien ben ik het uur wel eventjes uit het oog verloren.
Dat was erg lekker, thank you.
Boss is nu aan het Engels nieuwsoverzicht op France24 toe
en valt bij de tweede herhaling steevast in slaap.
“Yes, please!”
Ik hoef hem niet eens meer te vragen of hij nu (het is 15 u stipt)
een kopje thee zou wensen.
Een beetje compulsief kan je Boss wel noemen. Elk oompje zijn syndroompje, zeg ik maar. Misschien moet ik hem maar wat meer aandacht schenken.

 
 

Babel-utte

Zo, onze jaarlijkse nieuwjaarslunch voor de vrienden is ook achter de rug.

Onze vrienden, dat zijn met name de stervelingen, die tot de vaststelling zijn gekomen dat ik niet de Albanese huishoudster van Boss ben, maar gewoon “a nice girl”.

Met een restje aan maatschappelijke verantwoordelijkheid in het achterhoofd, is het samenstellen van een degelijke gastenlijst geen lachertje en verdient enige focus. De minderheids- en andere achtergestelde groepen mogen immers niet over het hoofd worden gezien. Dus, er moet minstens één vrouw zijn, minstens één mindervalide, minstens één homo en minstens één medemens met een diepe huidskleur.

O ja, die en die. En wat dacht je van die? Enkel de laatste is een probleem. Kennen wij een donkerhuidige chap? Met een das en tafelmanieren en die geen rits kinderen naar een lunch meesleept?

Kleurlingen zijn dun gezaaid in onze Kretahoek, de enkelen niet te na gesproken die mij op de terrasjes steevast zo’n doosje met haakje proberen te verlappen, waarmee je binnen de drie seconden een draad door een naald kan halen. Eén euro en gratis demonstratie.

Ik heb zo’n doosje en vertel dat dan ook eerlijk als de derde in rij langs schuift. En dat ik er heel tevreden mee ben. Het is hen trouwens meteen aan te zien dat zij mij niet geloven.

Geen chap, een chick dan? Boss krijgt het op zijn heupen. Ja, natuurlijk! Maar laat zij nu net op familiebezoek in Hawaï zijn. Zullen wij er dan maar een diep getaande Griek bijhalen? Niemand die het verschil zal merken, het is er al met al nogal duister in die taverna.

Twee dagen pandemonium verder zijn de uitnodigingen de deur uit en liggen de naambadges keurig klaar.

En ja hoor, het was een perfect eclectische bende altogether, het kleurrijke kruim dat een paradijselijk eiland pleegt te bevolken. Zij kwamen uit Finland, uit Zanzibar, uit Canada, uit de VS, uit Vlaanderen en Nederland, uit Ierland, uit Italië, uit Hongarije, uit Australië en uit Turkije. En uit Griekenland.

Er was zowaar ook een Brit, eentje maar. Boss delft voor een keer het onderspit. Britannia rules.

 

Afbeelding