Categorie: Village Colours

Zeg maar dag met je handje!


Ten huize Boss is er eentje dat de zomer maar met lede ogen aan ziet komen.
Een Koninklijke Hoogheid nog wel, die in deze Brits-Vlaamse lifestylebroedplaats,
na de boss weliswaar, de meeste égards verdient.

Nochtans staat Her Majesty breedlachend in een (voor deze zomerdagen)
veel te wollig Damart-jurkje op een schap in de living room, voorbehouden aan
de plaasteren, plastieken, rubberen, glazen en bronzen afgietsels van prominente
persoonlijkheden, die de boss tijdens zijn vele reizen heeft verzameld.

Boss is een verzamelaar. Vandaar de schier ontelbare schappen in dit huis,
genoegzaam bekend als de Hermitage van Kreta. Robotten, oud speelgoed,
Engels porselein, oude radio’s, klokken, art déco, Alessi et j’en passe.

Als u weet dat dit alles met een verfkwastje en met enige regelmaat dient afgestoft
te worden, dan vraagt u zich dus met recht en rede af, waar ik Goodness gracious
me nog de tijd vind om hierover avondvullende blogs neer te pennen.

Her Royal Highness staat dus tussen Mao Tse Tung en Manneken Pis.
Met als enige advantage op haar buren, het wuiven met het rechterhandje
telkens de zon schijnt. Zij is, manueel dan, veruit de meest bedrijvige,
gezien Mao onder de buste ophoudt en Manneken zijn linkerhand voor minder
prozaïsche activiteiten nodig heeft.

Uren kan zij zo doorgaan met dat handjewuiven, de snelheid varieert ook
danig naarmate de zon ongenadiger op haar edele hoofd schijnt.
Ik vrees, dat de winterbreak te kort was voor deze oude bes om voldoende
op krachten te komen en zij er dit jaar eindelijk de brui zal aan geven.

Vergeet het maar. Never relinquish your nobility, Elisabeth
Afbeelding

Happy Weeds

Afbeelding

Ik hoef geen poll van “Het Fluitend Tuiniertje”
in te vullen om het ongenadige verdict te kennen.
“U hebt matig tot geen groene vingers”.

Hoewel ik ze verafschuw, laat ik mij al eens
verleiden tot het invullen van dergelijke oervervelende
vragenlijstjes, in de hoop eens een minder bedroevende
score te halen. Niet dat ik achteraf wegzink in diep
zelfmedelijden, ik zoek zelf al een halve eeuw
tevergeefs naar enig remarkabel talent.

Een paar fanatieke tuinfeeën ken ik dan wel.
Eentje zong nog op een blauwe maandag in het
achtergrondkoortje van Jimi Hendrix en heeft,
sinds zij aan de zijde van een volbloed psychopaat
haar toevlucht op Kreta zocht, haar bek niet meer
opengetrokken.

Nog eentje heeft zowaar een Sissinghurst voor haar
stoep aangelegd en houdt godganse dagen, op haar
buik gelegen, elke spriet in de gaten die zich door
de dorre aarde wringt. Zelfs bij nacht en ontij, daar
verdenk ik haar van.
Zij is overigens een superlief mens, ook al omdat zij
nooit op bezoek komt, vanwege die spriet.

Groene vingers zal je dus aan mijn handen niet vinden
en ik wil graag geloven dat mijn onkruid mij daar
dankbaar om is.

Dit is buiten de waard gerekend, echter.
Vanmorgen lag een fonkelnieuw paar tuinhandschoenen
op mijn muurtje, boven mijn weeds, daar silentio neergelegd
door de boss.

Ik heb ze vanavond in de vuilnisbak gegooid.
Mijn groene vingers staken er helemaal door.
Er was meer onkruid dan ik had verwacht.

 

De Pikante Jam

Afbeelding

Het was een onzalig idee.
Zoals al mijn ideeën zijn, voor zij met schaamrood
een roemloze dood sterven.

Ik zou mijn jam zelf gaan maken.
Mijn eigen Bonne Maman.
En het zou Bonne Maman Verikoko
(abrikozen) worden, want dat wil de boss
op zijn ochtendtoast hebben
en ik ben gek op de Fraouli (aardbeien).

Toen na een paar maanden mijn lege, opgepotte
voornemens te veel ruimte onder het aanrecht
begonnen in te nemen, verhuisden mijn bokaaltjes
netjes opgestapeld naar de utility.
Daar viel het steeds groeiend aantal niet zo op
en bovendien was het abrikozenseizoen sowieso voorbij.

Mijn buurvrouwtje Eleni, gezegend met een wel
zeer vruchtbare en crisisbestendige groententuin,
zette op een ochtend echter een massale hoeveelheid
pepertjes bij mijn hekken neer.
Nu lust ik wel een pepertje op zijn tijd, maar twee
Lidl-tassen vol, dat zou voor mijn ingewanden
het einde betekenen.

23 augustus 2012 was de dag, dat ik besloot de
pepers in  te maken. Ik weet het nog precies, want
ik schreef die op de Bonne Maman-deksels neer.

Ik had recepten opgezocht, grondig gelezen, met
elkaar vergeleken. De positieve lezersbeoordelingen
onthouden, de nijdige vergeten.
En enige creatieve inbreng toegevoegd.

Zij zijn niet te vreten.
Reeds bij de eerste hap voelde ik stoom
mijn lichaamsopeningen verlaten.
Snakkend naar adem, zwetend als een rund,
heb ik mijn lijf een ganse week opgebrand.
Geen vurige Aziaat die dit aankan.

Nog 8 bokalen heb ik staan.  
Heel sporadisch drop ik er eentje, flink in
inpakpapier gewikkeld, in de voedselcontainer
van de supermarkt. Voor de behoeftigen.
En speur ongerust in de plaatselijke krant naar
verdachte overlijdens.

Aan Eleni zal ik volgende zomer zeggen
dat de boss geen pepers lust.

Doubt is devil-born

De kronkelende weg naar het Kazantzakis-museum in Myrtia ligt er zinderend heet en wat verlaten bij.

Wij hebben er geen erg in, wij hebben net een rondleiding langs de Boutari-wijnkelders achter de rug en de wine-tasting heeft ons humeur nog zonniger gemaakt dan het doorgaans al is.

Onze Amerikaanse gaste wil graag het museum bezoeken, wij deden dit al bij herhaling, dus zoeken wij alvast een plaatsje uit op het terras van één van de twee cafeetjes tegenover het museum om bij een gigantische kop koffie even rustig het bescheiden dorpsaanbod sandwiches te kunnen overlopen.

Het is niet zo, dat de drempel van het museum vandaag zal worden platgelopen. Georgia, de sexy conservator, vindt ruim de tijd om boezemvriendelijk (het is dan ook erg warm) aan een plaatselijk televisiestation een interview toe te staan.

Een eerste koppel stapt twijfelend op de deur af, lummelt wat rond, neemt uiteindelijk de klink vast en staat na drie minuten weer buiten. “Hadden zich vergist, dachten dat dit het geboortehuis van Kazantzakis was”.

Zo mogelijk nog sneller dan dit koppel, staat het volgende terug op de trappen na die eerst driemaal op en neer te zijn gegaan voor het de euvele moed had samengeraapt om binnen te stappen.

Gebiologeerd kijken wij toe.

Treuzelend verplaatsen zij zich over het dorpsplein, doen tweemaal zowat de gehele omtrek ervan. Tot hij het eerste cafeetje in de smiezen krijgt, kordaat nu, binnenstapt en bij het verlaten heftig zijn hoofd schudt naar zijn wijffie dat een eind verderop schuifelend een zonallergische reactie staat uit te broeden.

Het is duidelijk, hij draagt hier de hoed. En het is hem aan te zien, dat niets hem nu nog zal tegenhouden. Hij stormt zowat ons cafeetje binnen. “Wat moet een koffie HIER kosten”?

1 euro. 1 euro! Du jamais vu in deze bailout-tijden, waar je toch al makkelijk 3 euro voor een koffietje moet gaan ophoesten.

Hij gaat aan het tafeltje naast ons zitten en wenkt het wijffie dat inmiddels halfcomateus van de hitte is. Of van de schaamte.

Verbluft kijken wij toe en voelen hier een status opkomen. Hij hoort de klik van mijn fototoestel. Dat is ook zo’n verdraaid luidruchtig antiek ding.

“Hebben jullie het museum bezocht”? draait hij zich naar ons toe.

“Verscheidene malen zelfs, ja”.

“Wij zijn van gedachten veranderd. Stel u voor, 3 euro toegangsprijs!

Dieven zijn het! Geen wonder dat er geen kat loopt. DRIE euro!”

Hier heb ik even geen repliek op. Of althans, ik twijfel of ik die op hem zou loslaten.

Twijfel is inderdaad een duivelskind.Afbeelding

Grumpy Old Bitch

  Erger nog dan zomaar een spijtig voorval – waarvoor wij ons oeverloos zouden verontschuldigen – het is een vanzelfsprekende wetmatigheid dat in Kreta elk evenement minstens een uur later begint dan is vooropgesteld.

Een antiek koppel – zoals wij dan zijn – vindt het dus maar zaak en leert het niet af om reeds om 20:30 acte de présence te geven als een voorstelling om 21:30 begint. Of zou moeten beginnen.

Niet zo de Griek. Die duikt om 21:30 nog de douche in en stuurt alvast iemand vooruit om de nodige plaatsen voor de familie en aanverwanten voor te behouden. Die iemand is dan bij voorkeur een vrouw van rijpere signatuur en/of omvang, bereid om haar leven of wat er nog van overblijft, op te offeren voor de niet minder dan 10 zitjes waar haar dierbaren hun hygiënisch frisse achterste zullen gaan parkeren.

Die iemand moet dan ook bij voorkeur enige ballast kunnen torsen, want de 10 zitjes worden middels handtassen, jassen, pulls, sjaals, brillen en flesjes water ten zeerste ontoegankelijk gemaakt voor de vermaledijde die ook op de voorste rijen wil gaan plaatsnemen.

Is dit alles nog niet voldoende, dan zijn een vlotte woordenstroom, een schril stemgeluid en wapperende handen en armen de middelen bij uitstek om veiligheidshalve helemaal achteraan uw toevlucht te zoeken.

Dit allesbehalve genoegen had ik dus toen zo’n Mrs. Grumpy haar boze oog op mijn rij liet vallen. Haar ruime, propere familiekring terwille, schoof ik zelfs twee stoelen op en nam voor lief haar encombrant jojogedrag telkens zij een insijpelende bekende opmerkte en in haar liefhebbende armen sloot. Met telkens een deel van mij erbij. Soit.

Dit alles in een openluchttheater dus. Ik bedoel, openluchtiger kon het geheel niet zijn. Stel je het plaatje voor. Buitenlucht, bomen, avondbries, zuurstof… en een massa Grieken die het roken hebben opgegeven om bezuinigingsgerelateerde redenen. Ik niet. Anderhalf uur wachten, zonder sigaret, het is mij teveel gevraagd. Ik waag mij aan eentje, want in de buitenlucht. Blaas de rook richting de boss, want verbaast zich daar niet meer over.

En heb de toorn van Mrs. Grumpy over mij gehaald. Een Grieks drama uit de eerste hand. Met veel omhaal is zij vier stoelen verder gaan zitten en haar blikken vol weerzin hebben mij de ganse avond gezelschap gehouden.

Gerookt heb ik niet meer. Mij enkel de bedenking gemaakt dat de heer Samaras zich het liefst mijlenver uit haar Kretenzisch gezichtsveld moet houden.

Het Liftende Buufje

Staat zij daar, oud en gebogen, pal in het midden van de straat en heftig met de armen zwaaiend, net als ik de heuvel kom afgestormd en dus niet zo meteen ter plekke stil kan staan.

Naar Kato Gouves rij ik“, zeg ik haar voor alle duidelijkheid, terwijl ik mij buig naar de passagierskant om het portier te openen. Die moeite had ik mij kunnen besparen, zij zit al.

Kato Gouves. Paris farmakio?” pols ik voorzichtig. De apotheek van Paris is hier namelijk de landmark en gezien de wild om zich heen slaande crisisgevolgen, ga ik er automatisch van uit dat zij daar moet zijn.

Je zou enige reactie verwachten. Niet dus. Zij vertrouwt de expats niet, zoveel wordt mij duidelijk. Of misschien is zij wel doofstom? Wat volgt, laat zich raden. I’ve been there. Als een razende begint zij tijdens de rit op haar borst te kloppen en kruistekens te maken. Ik voel mijn waardigheid afsterven.

Ik stop aan het kruispunt. “Kato Gouves, farmakio!” gil ik. Zoals een buschauffeur zijn eindhalte omroept. Geen beweging in het mensje te krijgen. Duidelijk niet de minste intentie om uit te stappen.

Zij strekt haar arm naar links. “Gournes!“, roept zij. Niks doofstom. Ik schud mijn hoofd : “Ochi!“, en strek mijn arm naar rechts. “Hersonisso!“. Zij naar links : “Gournes!”.

Ik probeer haar, bijna wanhopig nu, uit te leggen dat ik helemaal niet in Gournes moet zijn. Even toch twijfel ik, of ik haar tot Gournes zou brengen, maar begraaf de hulpvaardige gedachte, bij nader inzien.

Wij blijven, afwisselend armstrekkend, op het kruispunt staan. Dikke tien minuten later is zij, zeer onwillig, bijna boos, uitgestapt.

Een volgende keer is mijn naam haas.