Babel-utte

Zo, onze jaarlijkse nieuwjaarslunch voor de vrienden is ook achter de rug.

Onze vrienden, dat zijn met name de stervelingen, die tot de vaststelling zijn gekomen dat ik niet de Albanese huishoudster van Boss ben, maar gewoon “a nice girl”.

Met een restje aan maatschappelijke verantwoordelijkheid in het achterhoofd, is het samenstellen van een degelijke gastenlijst geen lachertje en verdient enige focus. De minderheids- en andere achtergestelde groepen mogen immers niet over het hoofd worden gezien. Dus, er moet minstens één vrouw zijn, minstens één mindervalide, minstens één homo en minstens één medemens met een diepe huidskleur.

O ja, die en die. En wat dacht je van die? Enkel de laatste is een probleem. Kennen wij een donkerhuidige chap? Met een das en tafelmanieren en die geen rits kinderen naar een lunch meesleept?

Kleurlingen zijn dun gezaaid in onze Kretahoek, de enkelen niet te na gesproken die mij op de terrasjes steevast zo’n doosje met haakje proberen te verlappen, waarmee je binnen de drie seconden een draad door een naald kan halen. Eén euro en gratis demonstratie.

Ik heb zo’n doosje en vertel dat dan ook eerlijk als de derde in rij langs schuift. En dat ik er heel tevreden mee ben. Het is hen trouwens meteen aan te zien dat zij mij niet geloven.

Geen chap, een chick dan? Boss krijgt het op zijn heupen. Ja, natuurlijk! Maar laat zij nu net op familiebezoek in Hawaï zijn. Zullen wij er dan maar een diep getaande Griek bijhalen? Niemand die het verschil zal merken, het is er al met al nogal duister in die taverna.

Twee dagen pandemonium verder zijn de uitnodigingen de deur uit en liggen de naambadges keurig klaar.

En ja hoor, het was een perfect eclectische bende altogether, het kleurrijke kruim dat een paradijselijk eiland pleegt te bevolken. Zij kwamen uit Finland, uit Zanzibar, uit Canada, uit de VS, uit Vlaanderen en Nederland, uit Ierland, uit Italië, uit Hongarije, uit Australië en uit Turkije. En uit Griekenland.

Er was zowaar ook een Brit, eentje maar. Boss delft voor een keer het onderspit. Britannia rules.

 

Afbeelding

Oooh… you look FAB!!

Feit : Gisteren heeft Boss zijn omslagfoto gewijzigd.

Niks te vroeg, want er stonden nog steeds kerstwensen op, totaal incompatibel met de spetterpoep waarvan je langzaam herstellende bent na het obligatoire nieuwjaarsfamiliediner.

Smashing staat hij erop. Linnen zomerkledij, bloot op
voor kinderblikken toelaatbare lichaamsdelen.
Diepgebruind ook, zo’n tint die ik nog niet na drie dagen-
drie lagen Sublime Bronze kan benaderen.

Werelds, gebalanceerd, larger than life.
Een zelfingenomen, voldaan glimlachje naar de fotograaf.
In dit geval zijn vorig lief. Ik ken dat glimlachje, die twee
hebben een paar uren voordien echt niet achter een
winkelwagentje lopen slenteren.

Het effect was terstond en laaiend.
Geen kunst als 748 van je 792 vrienden vrouwen zijn.
Onbegrijpelijk als hij er hooguit 63 ooit persoonlijk heeft ontmoet.

Bijna was de omslagfoto viraal gegaan, aan de omvang van
de hormonale, postmenopauzale übercomplimenteuse
commentaren zal het niet gelegen hebben.
Stupid chicks.

Boss glunderde. Wentelde zich uren behaaglijk in deze
vrouwelijke adoratie.

Tot ik hem eraan herinnerde dat de foto minstens 6 jaar
oud was. “Zie je, sweetheart, minder haar, meer buik…”

Ik heb genoten van een geruisloze, ongestoorde avond.

Hoe breng je slecht nieuws op 31 december?

Feiten : je hebt net de flank van je wagen tegen een geparkeerde verroeste truck aangeschuurd.

Je bent niet gestopt, want je leeft op Kreta en daar stop je niet zolang het bloed niet van je motordeksel druipt.

Het ziet er niet lief uit. Dit is wel het aardigste understatement dat ik kan
bedenken als ik, vijf mijl verder, besluit de schade toch even op te meten.

Ik moet mijn stijgende ergernis kwijt. Het overvolle bankkantoor, waar de
Grieken, die nog niet van ontbering zijn gestorven, uiterlijk vandaag hun
autotaks moeten betalen, lijkt mij de meest aangewezen ventileringsplaats.
“Of mijn nieuwe bankkaart reeds is aangekomen?” vraag ik de bleke
bediende, die mij vorige week verzekerde dat de kaart er over drie weken
zal zijn. ?!£#%!§$#S@Fck! Oef, mijn bloeddruk daalt zienderogen.

Eens buiten en een beetje confuus, besef ik dat the worst is yet to come.
Ik moet Boss bellen.
Hem zo terloops mogelijk even mededelen dat mijn dagplannen wegens
deze onvoorziene en vooral ongewenste omstandigheden zijn gewijzigd.
Een afgemeten bericht in een drukke, lawaaierige straat lijkt mij het beste.
Het treft, bankkantoren liggen wel eens vaker in drukke, lawaaierige
straten. Niet huilen, vooral niet, hier kom je enkel mee weg in je
wittebroodsweken. Overdrijven, hem zeggen dat de hele passagierskant
nu aan die fokking truck hangt. Schuld bekennen, niet té nadrukkelijk.
Gevoel manipuleren, “maar ik ben oké, hoor!”.

Ik bel. De boodschap moet vooral nauwelijks verstaanbaar overkomen,
dus ik peuter al pratend in mijn neus, niet helemaal ladylike in een
drukke straat, toegegeven, maar what the hell.
Mijn vis braadt. Boss verstaat maar de helft van het verhaal en wijt dit
aan de slechte telefoonverbindingen op het eiland.
Ik heb trouwens ook al tweemaal totaal overbodig “Wablief?” gebruld, de
ervaring heeft mij geleerd dat hij het daarna voor bekeken houdt.
“Of ik nu maar onmiddellijk naar huis kom, want ik klink erg overstuur”,
dringt hij aan.

Ik parkeer de gehavende vehikelkant pal naast een muur, er kan zelfs geen
kat meer langs. Bovendien wil ik koste wat kost voor mijn nieuwsgierige
buren mijn waardigheid behouden.

Als Boss zich met alle geweld de visu van het onheil wil vergewissen,
sputter ik pro forma nog wat tegen.
“Maar dat valt nog mee”, zegt hij na een blik op de meterlange krassen.

Ik heb wijselijk mijn mond gehouden.