Herr Doktor

Reeds twee opeenvolgende avonden

sloeg hij haar stilletjes,

maar heel nauwlettend gade.

Dat niet alleen, ook de all inclusive tequila sloeg hij,

maximal ontspannen aan de hotelbar,

mit Mass aber regelmässig achterover.

Zonder zijn blik van haar af te wenden,

wisselde hij met tussenpozen enkele woorden

met zijn Herr vriend, die geen tequila lustte,

maar des te meer het happy single

loslopend vrouwenwild dat zo’n five star resort

doorgaans al vanaf maart pleegt te bevolken.

Het is niet anders, een surplus aan vrije tijd,

aan gezondheid en aan geld brengt mensen ertoe

dingen te gaan doen die zij leuk vinden.

Zij verleggen hun grenzen, niet enkel de geografische.

Iets gevaarlijker, iets scherper op de snee.

Het was haar uiteraard niet ontgaan.

Het ontbreken van elke vorm van Frau in zijn buurt,

was het laatste zetje om dan ook een ondeugend knipoogje

zijn richting uit te sturen.

Herr Doktor stelde zichzelf uiterst hoffelijk

en bescheiden aan haar voor, een zachte stem, zachte ogen,

zachtheid all over.

Vleesgeworden charme, finesse, réserve en politesse avant-la-lettre.

Ja, zij wou graag even op het krukje naast hem plaatsnemen,

zelfs even zo’n tequila met hem proeven.

“Du lächst immer”, verbaasde hij zich.

En herhaalde het.

En luisterde elke avond weer geamuseerd

naar haar belevenissen van die dag,

verbeterde minzaam haar verkeerde vervoegingen en verbuigingen,

overtuigde haar ervan dat zij niet allemaal

richtige Schweinhunde waren.

Schetste die Geschichte historisch, kulturell, politisch

en zweeg pünktlich over hetgeen haar niet interesseerde.

Een zonnige week lang keken zij uit

naar het ontbijtbuffet en naar de guest bar,

die zij besloten voortaan samen alle eer aan te doen.

Haar dauernde opgewektheid dreef Herr Doktor erheen,

zijn aaibare aanwezigheid wou zij dan niet missen.

Het afscheid die morgen hadden zij

met heel veel koffies voor zich uit geschoven.

Hij zag bleek, ondanks zijn zongebruinde tint.

Zijn beide ogen waren helemaal opgezwollen,

dit had zij de avond ervoor niet opgemerkt.

“Ik ben ermee opgestaan”, stelde hij haar gerust.

“Eine Entzündung”.

Hij zou thuis onmiddellijk zijn huisarts raadplegen.

Hij nam zijn bril af.

Zij wreef heel zachtjes en heel langzaam

over zijn ontstoken lieve ogen.

En zij besloten nu afscheid van elkaar te nemen.

“Dein Ritter kommt noch, ganz bestimmt”

zei hij, vol emotie en vertrouwen.

Zij vond geen woorden.

Doubt is devil-born

De kronkelende weg naar het Kazantzakis-museum in Myrtia ligt er zinderend heet en wat verlaten bij.

Wij hebben er geen erg in, wij hebben net een rondleiding langs de Boutari-wijnkelders achter de rug en de wine-tasting heeft ons humeur nog zonniger gemaakt dan het doorgaans al is.

Onze Amerikaanse gaste wil graag het museum bezoeken, wij deden dit al bij herhaling, dus zoeken wij alvast een plaatsje uit op het terras van één van de twee cafeetjes tegenover het museum om bij een gigantische kop koffie even rustig het bescheiden dorpsaanbod sandwiches te kunnen overlopen.

Het is niet zo, dat de drempel van het museum vandaag zal worden platgelopen. Georgia, de sexy conservator, vindt ruim de tijd om boezemvriendelijk (het is dan ook erg warm) aan een plaatselijk televisiestation een interview toe te staan.

Een eerste koppel stapt twijfelend op de deur af, lummelt wat rond, neemt uiteindelijk de klink vast en staat na drie minuten weer buiten. “Hadden zich vergist, dachten dat dit het geboortehuis van Kazantzakis was”.

Zo mogelijk nog sneller dan dit koppel, staat het volgende terug op de trappen na die eerst driemaal op en neer te zijn gegaan voor het de euvele moed had samengeraapt om binnen te stappen.

Gebiologeerd kijken wij toe.

Treuzelend verplaatsen zij zich over het dorpsplein, doen tweemaal zowat de gehele omtrek ervan. Tot hij het eerste cafeetje in de smiezen krijgt, kordaat nu, binnenstapt en bij het verlaten heftig zijn hoofd schudt naar zijn wijffie dat een eind verderop schuifelend een zonallergische reactie staat uit te broeden.

Het is duidelijk, hij draagt hier de hoed. En het is hem aan te zien, dat niets hem nu nog zal tegenhouden. Hij stormt zowat ons cafeetje binnen. “Wat moet een koffie HIER kosten”?

1 euro. 1 euro! Du jamais vu in deze bailout-tijden, waar je toch al makkelijk 3 euro voor een koffietje moet gaan ophoesten.

Hij gaat aan het tafeltje naast ons zitten en wenkt het wijffie dat inmiddels halfcomateus van de hitte is. Of van de schaamte.

Verbluft kijken wij toe en voelen hier een status opkomen. Hij hoort de klik van mijn fototoestel. Dat is ook zo’n verdraaid luidruchtig antiek ding.

“Hebben jullie het museum bezocht”? draait hij zich naar ons toe.

“Verscheidene malen zelfs, ja”.

“Wij zijn van gedachten veranderd. Stel u voor, 3 euro toegangsprijs!

Dieven zijn het! Geen wonder dat er geen kat loopt. DRIE euro!”

Hier heb ik even geen repliek op. Of althans, ik twijfel of ik die op hem zou loslaten.

Twijfel is inderdaad een duivelskind.Afbeelding

De Laatste Dans

Het leven is een dans met rare sprongen.
Het is niet iedereen gegeven, de passie, de
souplesse en de verbetenheid te bezitten om
zijn cadans te volgen en het ritme bij te houden.

Met de vader van mijn zoon zette ik ooit een
wervelende dans in, tot onze passen niet meer
in elkaar overliepen. Tot de vele kwetsuren ons
ertoe noopten ermee op te houden.

Vannacht is hij na een slepende ziekte
overleden.
Afscheid nemen hoeft niet meer, dit deed ik dertig
jaar geleden al.
Huilen wil ik niet, want, hoewel de dans ophield,
de muziek bleef doorspelen.

Dankzij hem is er onze fantastische zoon, mijn
bijzondere parel, die mij door alle tragedies van het
leven loodste tot ik de logica ervan leerde begrijpen
en aanvaarden.

Tot het moment waarop ook voor mij de muziek
zal stilvallen, blijf ik zijn vader dankbaar voor dit
onbetaalbare geschenk.

Voor hem en met hem wil ik nu onze laatste dans
inzetten, een dans die hem mag leiden naar de
weldadige oase van vrede en rust.

Grumpy Old Bitch

  Erger nog dan zomaar een spijtig voorval – waarvoor wij ons oeverloos zouden verontschuldigen – het is een vanzelfsprekende wetmatigheid dat in Kreta elk evenement minstens een uur later begint dan is vooropgesteld.

Een antiek koppel – zoals wij dan zijn – vindt het dus maar zaak en leert het niet af om reeds om 20:30 acte de présence te geven als een voorstelling om 21:30 begint. Of zou moeten beginnen.

Niet zo de Griek. Die duikt om 21:30 nog de douche in en stuurt alvast iemand vooruit om de nodige plaatsen voor de familie en aanverwanten voor te behouden. Die iemand is dan bij voorkeur een vrouw van rijpere signatuur en/of omvang, bereid om haar leven of wat er nog van overblijft, op te offeren voor de niet minder dan 10 zitjes waar haar dierbaren hun hygiënisch frisse achterste zullen gaan parkeren.

Die iemand moet dan ook bij voorkeur enige ballast kunnen torsen, want de 10 zitjes worden middels handtassen, jassen, pulls, sjaals, brillen en flesjes water ten zeerste ontoegankelijk gemaakt voor de vermaledijde die ook op de voorste rijen wil gaan plaatsnemen.

Is dit alles nog niet voldoende, dan zijn een vlotte woordenstroom, een schril stemgeluid en wapperende handen en armen de middelen bij uitstek om veiligheidshalve helemaal achteraan uw toevlucht te zoeken.

Dit allesbehalve genoegen had ik dus toen zo’n Mrs. Grumpy haar boze oog op mijn rij liet vallen. Haar ruime, propere familiekring terwille, schoof ik zelfs twee stoelen op en nam voor lief haar encombrant jojogedrag telkens zij een insijpelende bekende opmerkte en in haar liefhebbende armen sloot. Met telkens een deel van mij erbij. Soit.

Dit alles in een openluchttheater dus. Ik bedoel, openluchtiger kon het geheel niet zijn. Stel je het plaatje voor. Buitenlucht, bomen, avondbries, zuurstof… en een massa Grieken die het roken hebben opgegeven om bezuinigingsgerelateerde redenen. Ik niet. Anderhalf uur wachten, zonder sigaret, het is mij teveel gevraagd. Ik waag mij aan eentje, want in de buitenlucht. Blaas de rook richting de boss, want verbaast zich daar niet meer over.

En heb de toorn van Mrs. Grumpy over mij gehaald. Een Grieks drama uit de eerste hand. Met veel omhaal is zij vier stoelen verder gaan zitten en haar blikken vol weerzin hebben mij de ganse avond gezelschap gehouden.

Gerookt heb ik niet meer. Mij enkel de bedenking gemaakt dat de heer Samaras zich het liefst mijlenver uit haar Kretenzisch gezichtsveld moet houden.

Attention, please!

“Ba-betttt?”
Zeurderige klaagtoon. Stijgt op uit de bank waar Boss zich net
uit zijn middagdutje heeft gehoest.
“You’re not paying me much attention”.
Wij zijn net terug van een weekje Istanbul. Ik met een ongekende
energiepiek, hij een beetje ziekjes.
Om 8 u stipt heb ik hem ontbijt op bed gebracht, met een gekruid omeletje
in dat koperen pannetje waarvoor hij mij door de halve Spice Bazaar
heen heeft gesleurd.
“Of ik dat pannetje rechtstreeks op het vuur heb gezet? Misschien toch
beter niet doen, in Turkije bakken ze het omeletje apart”.
Ik sta er niet bij stil, bedenk enkel dat het ontbijteitje morgen zachtgekookt
zal zijn.
Tegen 10 u stipt heb ik de drie koffers leeggehaald, teruggezet wat moet
staan en teruggelegd wat moet liggen, de wasmachine volgestopt,
de afwas weggewerkt, de buren bedankt omdat zij een oogje in het zeil
hielden tijdens onze afwezigheid, de was aan de lijn gehangen, een volgende
machine gevuld, mijn rekeningoverzichten gecontroleerd en de
Griekse comments op zijn fanpagina’s vertaald.
“Can you bring my tea, please?” Het is 10 u stipt.
“I’d like a coffee now”. Het is 11.30 u stipt.
“I’m hungry now”. Het is 12.30 u en is bedoeld als herinnering dat hij zijn
lunch graag om 13 u stipt wil hebben, als hij BBC World News volgt.
Misschien ben ik het uur wel eventjes uit het oog verloren.
Dat was erg lekker, thank you.
Boss is nu aan het Engels nieuwsoverzicht op France24 toe
en valt bij de tweede herhaling steevast in slaap.
“Yes, please!”
Ik hoef hem niet eens meer te vragen of hij nu (het is 15 u stipt)
een kopje thee zou wensen.
Een beetje compulsief kan je Boss wel noemen. Elk oompje zijn syndroompje, zeg ik maar. Misschien moet ik hem maar wat meer aandacht schenken.

 
 

Babel-utte

Zo, onze jaarlijkse nieuwjaarslunch voor de vrienden is ook achter de rug.

Onze vrienden, dat zijn met name de stervelingen, die tot de vaststelling zijn gekomen dat ik niet de Albanese huishoudster van Boss ben, maar gewoon “a nice girl”.

Met een restje aan maatschappelijke verantwoordelijkheid in het achterhoofd, is het samenstellen van een degelijke gastenlijst geen lachertje en verdient enige focus. De minderheids- en andere achtergestelde groepen mogen immers niet over het hoofd worden gezien. Dus, er moet minstens één vrouw zijn, minstens één mindervalide, minstens één homo en minstens één medemens met een diepe huidskleur.

O ja, die en die. En wat dacht je van die? Enkel de laatste is een probleem. Kennen wij een donkerhuidige chap? Met een das en tafelmanieren en die geen rits kinderen naar een lunch meesleept?

Kleurlingen zijn dun gezaaid in onze Kretahoek, de enkelen niet te na gesproken die mij op de terrasjes steevast zo’n doosje met haakje proberen te verlappen, waarmee je binnen de drie seconden een draad door een naald kan halen. Eén euro en gratis demonstratie.

Ik heb zo’n doosje en vertel dat dan ook eerlijk als de derde in rij langs schuift. En dat ik er heel tevreden mee ben. Het is hen trouwens meteen aan te zien dat zij mij niet geloven.

Geen chap, een chick dan? Boss krijgt het op zijn heupen. Ja, natuurlijk! Maar laat zij nu net op familiebezoek in Hawaï zijn. Zullen wij er dan maar een diep getaande Griek bijhalen? Niemand die het verschil zal merken, het is er al met al nogal duister in die taverna.

Twee dagen pandemonium verder zijn de uitnodigingen de deur uit en liggen de naambadges keurig klaar.

En ja hoor, het was een perfect eclectische bende altogether, het kleurrijke kruim dat een paradijselijk eiland pleegt te bevolken. Zij kwamen uit Finland, uit Zanzibar, uit Canada, uit de VS, uit Vlaanderen en Nederland, uit Ierland, uit Italië, uit Hongarije, uit Australië en uit Turkije. En uit Griekenland.

Er was zowaar ook een Brit, eentje maar. Boss delft voor een keer het onderspit. Britannia rules.

 

Afbeelding

Hoe breng je slecht nieuws op 31 december?

Feiten : je hebt net de flank van je wagen tegen een geparkeerde verroeste truck aangeschuurd.

Je bent niet gestopt, want je leeft op Kreta en daar stop je niet zolang het bloed niet van je motordeksel druipt.

Het ziet er niet lief uit. Dit is wel het aardigste understatement dat ik kan
bedenken als ik, vijf mijl verder, besluit de schade toch even op te meten.

Ik moet mijn stijgende ergernis kwijt. Het overvolle bankkantoor, waar de
Grieken, die nog niet van ontbering zijn gestorven, uiterlijk vandaag hun
autotaks moeten betalen, lijkt mij de meest aangewezen ventileringsplaats.
“Of mijn nieuwe bankkaart reeds is aangekomen?” vraag ik de bleke
bediende, die mij vorige week verzekerde dat de kaart er over drie weken
zal zijn. ?!£#%!§$#S@Fck! Oef, mijn bloeddruk daalt zienderogen.

Eens buiten en een beetje confuus, besef ik dat the worst is yet to come.
Ik moet Boss bellen.
Hem zo terloops mogelijk even mededelen dat mijn dagplannen wegens
deze onvoorziene en vooral ongewenste omstandigheden zijn gewijzigd.
Een afgemeten bericht in een drukke, lawaaierige straat lijkt mij het beste.
Het treft, bankkantoren liggen wel eens vaker in drukke, lawaaierige
straten. Niet huilen, vooral niet, hier kom je enkel mee weg in je
wittebroodsweken. Overdrijven, hem zeggen dat de hele passagierskant
nu aan die fokking truck hangt. Schuld bekennen, niet té nadrukkelijk.
Gevoel manipuleren, “maar ik ben oké, hoor!”.

Ik bel. De boodschap moet vooral nauwelijks verstaanbaar overkomen,
dus ik peuter al pratend in mijn neus, niet helemaal ladylike in een
drukke straat, toegegeven, maar what the hell.
Mijn vis braadt. Boss verstaat maar de helft van het verhaal en wijt dit
aan de slechte telefoonverbindingen op het eiland.
Ik heb trouwens ook al tweemaal totaal overbodig “Wablief?” gebruld, de
ervaring heeft mij geleerd dat hij het daarna voor bekeken houdt.
“Of ik nu maar onmiddellijk naar huis kom, want ik klink erg overstuur”,
dringt hij aan.

Ik parkeer de gehavende vehikelkant pal naast een muur, er kan zelfs geen
kat meer langs. Bovendien wil ik koste wat kost voor mijn nieuwsgierige
buren mijn waardigheid behouden.

Als Boss zich met alle geweld de visu van het onheil wil vergewissen,
sputter ik pro forma nog wat tegen.
“Maar dat valt nog mee”, zegt hij na een blik op de meterlange krassen.

Ik heb wijselijk mijn mond gehouden.