Tag: Boss

De Max!

Max1

Ondanks zijn sinterklazige voorkomen, kan je Boss bezwaarlijk

kindvriendelijk noemen. Met zonen die naar de vijftig toekropen

en geen klein grut hadden ingecalculeerd om opa’s merkwaardig

afwijkende genen voort te zetten, daalden Boss’ latent aanwezige

oelekeboeleke-gevoelens onder een siberisch vriespunt.

Maar wonderen gebeuren, en ongelukjes ook.

Toen Boss het grote nieuws vernam, nam zijn fierheid recht evenredig

met zijn buikvet toe. Dat het voortbestaan van een eeuwenoude

dynastie, dankzij dat kleine ukje, bovendien nu wel gegarandeerd

leek, was voldoende reden tot een vervoering die ik al enkele

jaren niet meer mee mocht maken.

Inmiddels is het schitterend kleinood onder de Spaanse zon

geboren, een lief koppie met meer haren dan er ooit op Boss

stonden.

Granddad is door het dolle heen met zijn wondertje.

Ook al omdat hij de naam Maximilian meekreeg. Boss wou dat zo.

Ce que Boss veut, Dieu le veut.

De Paleisrevolutie

Afbeelding

Was de oktoberbijeenkomst van de internationale boekenleesclub in de alom geprezen kunsttempel van de Boss een succes te noemen, de novembereditie daarentegen dreigde op een regelrechte catastrofe uit te draaien. Aan de opkomst lag het niet, de uitnodiging vermeldde immers dat er “nibbles van Babette” en een “cherry chocolate cake van Boss” zou geserveerd worden, wat een extra toeloop van uitgehongerde expats aan de tafel bracht. Daar waar Babette zich ruim een halve dag in de keuken had verschanst voor haar “nibbles“, had de Boss zich beperkt tot het kiezen en aankopen van zijn taart en had Babette die, met de andere aankopen, achter zich aan gesleept.

De Boss, als zelfverklaarde drijvende motor, staat in voor de drankjes en brengt nu, na heel wat nerveus heen en weer geloop, ter verwelkoming zijn glas tot neushoogte. “Of iedereen zijn drankje heeft?” Hij is het mijne vergeten. Het oepsmoment verdwijnt achter het neerslaan van de veelzeggende blikken om mij heen. Ruimbemeten Leen, de locovoorzitter van deze meeting, zit rechtover de Boss, strijdlustig als steeds om hem uit het zadel te lichten, en heeft, vreemd genoeg, ter versterking haar Griekse hubby meegebracht, die (net zo min als ik) het boek van de maand niet heeft gelezen. Ik ga ervan uit, dat wij beiden ons zo ook wel iets kunnen voorstellen bij honderd jaar eenzaamheid.

Het gaat al meteen grondig mis bij de inleidende vraag, waar onze bijdrage voor Ann, een overleden lid van onze club, heen moet. Met het verzoek van haar dochter, onze storting over te maken aan het Engels tehuis waar zij werd verzorgd, ging iedereen al bij de vorige vergadering akkoord. Nu vindt Leen in een laat-semi-patriottische opwelling dat de homeless in Athens daar meer behoefte aan zouden hebben. Maar Boss komt niet op beslissingen terug en poor Ann zal nu ongetwijfeld rest in peace in de wetenschap dat Leen bakzeil heeft gehaald.

“Right. Can we now proceed with One Hundred Years…”  Leen geeft zich evenwel niet zo snel gewonnen, zelfs als zij daarvoor de jarenlange solitude van haar lievelingsauteur nog even moet rekken. In een verwoede poging, alsnog haar coup d’état door te drukken, werpt zij op, dat, naar haar bescheiden mening, de leden onvoldoende informatie krijgen en deze verheffende, doch, zoals zij terdege beseft, tijdrovende taak het best naar haar zou worden overgeheveld. Ik zie de ergernis van de Boss, die hiervoor instaat, to the next level stijgen en zijn stuk cherry chocolate cake halverwege zijn slokdarm stoppen. Het is een gratuite bewering, daar is iedereen het over eens, maar de deuk is er.

Hij herstelt zich. “Right. Can we now proceed with One Hundred Years…” Het geduld van het boekminnend clubje is op. De taart en de nibbles ook. Leen geeft met een verbeten trekje een monoloog weg, dat zij heeft gepikt van The New York Times. Niemand waagt het nog, erop te reageren. “In his book, Màrquez is wise enough not to offer excuses”.

Bij het buitengaan heeft Leen de Boss niet eens gegroet.

Uit het oog

010

Van alle hemelse zegeningen, die in de loop der jaren en in beperkte mate over mijn hoofd zijn uitgestort, is zoiets als een normale gezichtssterkte bedroevend achterwege gebleven. Het is bijna zo ver gekomen, dat ik, om iemand te herkennen binnen een straal van drie meter, op zijn lichaamsgeur dien af te gaan. In elk geval is er voldoende reden voor de Boss om mij a walking disaster te vinden.

Al jaren delen wij dezelfde ruime werktafel in the office. Hij aan een kant, verscholen achter zijn 30 inch screen, luisterend naar zijn   lievelingsmuziek en met een scheef oog de BBC-uitzendingen volgend op een ander scherm. Verder ligt er niks. Niks. Face to face zit ik dan aan de andere kant, in wat hij zeer ten onrechte omschrijft als this terrible mess, een dagelijkse aanslag op zijn compulsieve aard. En laat ik dan, to cap it all, net deze week, duidelijk hoorbaar, knabbelen op die bikkelharde koulourakia, die ik overigens niet eens lust. “I would really like you to move upstairs, Babette, I can’t stand this anymore”.

Dat liet ik mij geen twee keer zeggen. En kijk nu toch eens hoe vreedzaam mijn nieuwe uitzicht is geworden, hoe uitnodigend die stille heuvel aan de overkant. Elke verandering, elke beweging valt me op. De kerel die zijn bijenkorven verplaatst, de man die zijn hond uitlaat, de herder met zijn bonte kudde, het groepje jagers, de zeldzame jeep met stofwolken in zijn zog, ik zie het allemaal. Eigenlijk is het met mijn ogen nog niet zo erg gesteld.

Cut!

063

Geheel in de lijn van zijn credo, dat life has to be about fun and excitement, wou de boss Fedor interviewen, een Rus die gedurende een maand in no less dan paradijselijke omstandigheden wel zijn medewerking wou verlenen aan de organisatie van de jaarlijkse zomerfestiviteiten in de hoofdstad. En Tola, een filmmaakster, zou hierbij van een onschatbare waarde zijn. Dat was zij ook, tot op zekere hoogte. Tola, zo Grieks als la Nana, gaf namelijk een geheel eigen en vooral veel tragere invulling aan de begrippen “Nu!, Onmiddellijk! Gisteren!” die de boss doorgaans pleegt te hanteren, zodat het met beeld, muziek en spraak ingeblikt interview ten langen leste verscheen toen Fedor al voorbereidingen trof om Vadertje Vorst in de schoot van zijn familie te vieren. All of this maakte de boss niet bepaald gelukkig.

Tola heeft geen tijd, ook niet voor hard feelings. Dus vroeg zij enkele maanden later of de boss de rol op zich wou nemen van de kunstgalerijhouder Elliott in een no budget-kortfilm, die Chinees-Australische-Griekse vrienden in de buurt zouden opnemen. Het verhaal ontsnapte hem volledig, op zich niet onoverkomelijk, want dat was er eigenlijk niet. Wèl was er een knappe, jonge hoofdrolspeelster with an attitude en haar boyfriend, met die zou hij in de film te maken krijgen. De amoureuze boyfriend geloofde namelijk rotsvast in het arty kliederwerk van zijn vriendin, Elliott ook, maar zag haar veelbelovende artistieke toekomst dan enkel zonder die boyfriend. Kwalijke opdoffer aan het einde en dat was het zowat. Naast de beloofde fun and excitement.

Neen, u wil beslist niet weten hoeveel uren Boss en Babette aan dit magere script hebben gespendeerd. Hoeveel godgansedagen ik tot kreunens toe met hem de dialogen heb doorgenomen. Met welke death-defying overtuigingskracht ik een van de slotzinnen “F*ck Off, Elliott” telkens wist te brengen.  Drie dagen duurden de opnames, putje winter in een ijskoud huis in Archanes, dat iemand geheel vrijwillig ter beschikking had gesteld daar hij zolang bij zijn ouders zou intrekken, waar er wel verwarming was. Drie dagen, omdat het mooie hoofdrolkind-met-kapsones-en-andere-verplichtingen zich slechts sporadisch liet zien en allang spijt had van haar toegezegde medewerking, wegens de aanwezige cast vermoedelijk. Alles werd nog net even ietsje kutter, toen de boss zeven dagen later nog steeds ziek op bed lag.

Meer budget daarentegen was er voorzien voor de volgende uitdaging. De Dienst voor Toerisme had nog wat onverduisterde liquide middelen en een bevriende inheemse director gevonden en zou een promotiefilm over Kreta gaan draaien. Of de boss zich wou aanbieden bij de casting director voor de rol van filmregisseur? Neen, dat kon hij niet, want een trip naar Chania paste niet in zijn strakke planning. Of hij dan illico wat foto’s kon toesturen? Eentje met hoed, eentje zonder hoed. Eentje met blauw kostuum, eentje met lichtere tint kostuum. Eentje met bijpassende overhemden. Eentje met daarbij passende dassen. Eentje met zwarte schoenen, eentje met bruine schoenen. Boss sloeg aan het fotoshoppen, Babette aan het strijken. Imagine my luck dat zoveel excitement mij verder bespaard is gebleven, daar de opnames zouden plaatshebben net toen wij in het buitenland waren. Boss vond eveneens dat he definitely deserved something funnier than this.

Maar, when you relax, it comes. In de gedaante van Tola alweer, die, gedreven door tomorrow’s deadline, wanhopig op zoek is naar een koppel dat wil figureren in een road movie, en bijna huilend aan de lijn hangt. Vier uurtjes maar, Babette. Een koppel, met small suitcase of backpack, klaar om op vakantie te vertrekken, casual kledij, no flashy colours please. I’ve sent a message to the Boss too. Saturday, aan de haven, see you there!

De vier uurtjes werden er zes. Boss en Babette staan, valiesje aan de hand, op de kade te praten. Of beter nog, Babette staat te praten en Boss knikt minzaam. Deze scène wordt vijfmaal herhaald. Vervolgens, Boss en Babette stappen op het schip, nog steeds pratend, wel, Babette althans, Boss knikt. Wat heeft die toch veel te vertellen, zal iedereen nu denken. Ik ben alsnog zeer opgewekt, per slot van rekening vertrekken wij toch samen op vakantie. Deze scène wordt achtmaal herhaald, mede door het feit dat de (lege) small suitcase van Babette door de felle wind uit haar handen glipt. Onnodig hier aan toe te voegen dat ik in the meantime al helemaal niet meer weet wat te vertellen en de grootste onzin op Boss loslaat.

Na drie uren is er pauze, wij snakken naar een koffie en meerdere peuken. Sprakeloos zijn wij nu. Al helemaal, als blijkt dat het varend personeel nog ligt te slapen, dus éven geduld nog. Het wordt al donker, en erg frisjes bovendien, als de laatste opnames op het bovendek worden gemaakt. Er wordt een terrasje geïmproviseerd (wie gaat nu bij windkracht 9 bovendeks op een terrasje zitten?), enkele tafeltjes met een flesje water en drinkrietjes aangevoerd. Boss en Babette aan een tafeltje, pratend (of wat dacht u) en het watertje een beetje verveeld negerend (welk koppel bestelt nu één drankje? diepgekoeld dan nog?). Aan de geïnteresseerde uitdrukking van de boss te zien, vertel ik hem nu iets totaal nieuws, dit verwarmt mij een beetje. De scène wordt zesmaal herhaald.

En dan klinkt eindelijk het finale Cut! Freeze! Totaal overbodig, dat laatste. De filmploeg is verrukt, wij uitgehongerd. Eerlijk, ik heb er geen woorden voor.

Dromos kakos!

De boss beweert, dat ik een amazing ability heb to attract weirdo’s. Hij kan het weten.

Oktober 2009. Opgewekt zingend en zwevend op een wolk van nauwelijks beheersbare vrijheid, ben ik op de terugweg van Heraklion naar Sitia, toch algauw een rit van dik twee uren. Het zou me dus niet verbazen, dat er langs de baan wel ergens een zonderling figuur op een lift staat te wachten.

Zij staat daar dus te wachten. Aan de bushalte, op de bus die niet komt.

In tegenstelling tot de lifters, die ik al eens pleeg een eind verder te brengen, staat zij niet wild met haar duimen, een Jumbo-boodschappentas of een benzinevulfles radeloos in de lucht te zwaaien, neen, zij staat en wacht, een dozijn plastic tassen aan haar voeten, een sjaaltje over het hoofd en wel drie pulls en jassen om haar uitdijend lijf gespannen. Dit valt mij op, het is vandaag bepaald een warme, nazomerse dag.
Nieuwsgierig geworden, stop ik een eindje verder om haar op te pikken, ik weet intussen dat dergelijke onverwachte ontmoetingen variëren van hoogst bizar tot hoogst vermakelijk en wat gezelschap kan de bochtige rit door de heuvels enkel maar opfleuren.

De gevulde dame en dito zakken nemen plaats vooraan, no way dat zij die in de kofferruimte wil achterlaten. Ochi, ochi. Zij spreekt enkel Grieks en stoort er zich duidelijk niet aan dat ik maar één woord per dertig uitgebrachte versta.
Een uur later zijn wij zover, dat ik géén toeriste ben, géén Duitse, de Belgische wegen zoveel beter zijn dan de Kretenzische, en wij beiden in Sitia wonen.

Giatros, gilt ze, als ik haar duidelijk wil maken wat ik doe. Grieken verslijten je algauw voor een dokter als zij niet begrijpen wat je bezigheid is. Ochi, ochi! Ik haast mij om dit met klem te ontkennen, want na een blik op haar diverse lagen bovenkleding en gezien haar nu toch wel  opgewonden staat, schat ik de kans hoog in, dat ik haar zo meteen mond-op-mond zal moeten beademen. Te meer, hoe zeg je nu in aanvaardbaar Grieks dat je je dagen in ledigheid slijt? De enige zinnen, die ik met enig gemak kan aframmelen, is het Weesgegroet in het Oud-Grieks.

Zij zet zich aan het schrijven, op stukjes papier die zij uit een krant scheurt. Vreemd vind ik dit, het is welhaast onmogelijk in de auto om het even wat neer te pennen als je zwaartepunt zich om de twintig meter in een bocht verlegt. Telkens een kapel of een kerkje in haar vizier opduikt, slaat zij driftig een kruis.

Ik heb inmiddels mijn snelheid al danig aangepast, wat zoveel wil zeggen als dat ik niet om de haverklap uit de bocht vlieg. Toch slaat zij, zowat een kwartiertje voor aankomst, plots in een kramp.” Siga, siga“, roept zij (rustig,rustig), “dromos kakos” (slechte weg). Zij slaat nu verwoed het ene kruis na het andere, in paniek en oeverloos herhalend dat de dromos kakos is. Geen nieuw gegeven, die weg heeft er sinds mensenheugenis nooit goed bij gelegen.

Bij haar huis aangekomen, wordt zij kalm en start haar normale conversatie opnieuw. Ik meen hieruit op te maken dat zij mij mordicus in haar huis wil uitnodigen om mij te bedanken voor de (veilige) rit.

Geen dank, hoor – ik voel mij nu als het paard dat zijn stal heeft geroken – en geen tijd, hoor, ik moet nog een en ander in huis halen voor sluitingstijd, vertel ik haar, zij het met niet zoveel woorden.

Natuurlijk verstaat zij mij niet, dringt aan. Ik haal er, bijna wanhopig nu, een koppeltje voorbijlopende Grieken bij, met enige noties van courant Engels, die er haar kunnen van overtuigen dat het graag gedaan is en een volgende keer dan maar.

Vooraleer haar collectie plastic zakken bijeen te graaien, stopt zij mij een van de gescheurde krantenpapiertjes toe. Haar beide telefoonnummers staan erop.

Oef. Ben ik even opgelucht mijn dromos kakos te kunnen verderzetten.

Afbeelding

Thank You So Much!

Afbeelding

Do you like the lamp in the bedroom, Babette?”

De boss heeft drieëntwintig dozen geriefjes, allemaal dingen that he wanted, in Engeland besteld en daar in het bedrijfje van zijn zoon laten afleveren, in afwachting van een oplossing om de spullen heelhuids en budgetvriendelijk naar onze tweede woonst in Kreta te verschepen. Lazy bones als zij zijn, die Engelsen, voelden de meeste leveranciers er echt niks voor om zich gedurende tien minuten te buigen over het berekenen van transportkosten en bedachten dan maar de meesterlijke smoes dat zij niet meer naar precaire ontwikkelingslanden uitvoerden. Of, erger nog, kwamen met een bedrag aanzetten waarvoor ik zelf een aftands containerschip had kunnen opkopen.

Soit, na acht weken staan de dozen hier nu, door zoonlief in UK netjes genummerd van 1 tot 23, geheel volgens de instructies van vader. Die er prompt, om mij te verrassen, die slaapkamerlamp heeft uit gevist en opgehangen.

No, I don’t“. Dat zeg ik naar waarheid, want ik vind die lamp helemaal niks en bovendien hangt ze scheef.

Zo ook zijn gezicht nu, stel ik vast. Boss is diep verontwaardigd, neergesabeld door wat hij als kritiek en a demotivating, negative comment beschouwt. Gaat als een balorig kind aan de tafel zitten mokken en zit er na een uur nog, knabbelend op een al even vernietigende tegenzet.

Ik heb dus huisarrest gekregen in het bergdorp. Een week of twee, zoiets, tot de laatste werkman de Ottomaanse Burcht heeft verlaten en ik mij, naar hij stellig hoopt, in deze tijdspanne over mijn unhealthy bad tempered attitude heb weten te zetten.

Waarvoor mijn onuitputtelijke dank.  Ik ben zo’n vervelend repetitief-dankbaar mens. “Danku” moet het eerste woord van mijn repertoire zijn geweest, mijn moeder vond dit waarschijnlijk goed staan bij mijn haarkleur. Hierin sterk aangemoedigd, blééf ik het herhalen, zelfs als daar niet één bloody reden toe was.

Boss vertrekt ’s ochtends dus alleen, in alle stilte en duidelijk embarrassed by zijn beslissing. Ik kan mijn geluk echter niet op, geen thee zetten, geen koffie schenken, geen lunch bereiden, geen klok kijken, geen duffe Engelse nieuwslezers of irritante horse race commentatoren om mijn oren. Wel gelukzalig ontbijten op het terras met een koor van tsjilpende vogeltjes om me heen en de warme zonnestralen op mijn schouders. Wel struinen en praatjes slaan en lachen en dromen en nadenken. En dankbaar zijn.

Dit ga ik natuurlijk niet aan de boss zijn neus hangen, no way. This won’t do me any good, want net zoals bij jullie, rispt bij elke mij vuig geflikte onrechtvaardigheid steevast als eerste bedenking op “Wat de fok? Na àlles wat ik voor die mestkever heb gedààn?!?”

Nu niet dat deze seclusie mij de volstrekte rust biedt die ik op het oog had. Boss stuurt berichten, met een zekere regelmaat. Dat hij nu al een uur wacht op die schrijnwerker. Dat de apotheek gesloten is. Dat hij souvlaki aan het eten is. Dat hij getankt heeft. Dat zijn bloeddruk 130/82 is.

Afgepeigerd valt hij ’s avonds binnen en sluipt naar de aspirines. Vermeldt terloops dat hij vooral niet mag vergeten zijn zoon te bedanken voor al zijn moeite. (Drieëntwintig nummers zetten is inderdaad niet niks). Laat Waitrose een delicatessenpakketje afleveren waar de jongen gegarandeerd een knoert van een indigestie zal aan overhouden.

Morgen ga ik in Hersonissos een stuk of wat zomerjurkjes uitzoeken, want het wordt heet dit weekend volgens Zoover. Hoeveel is £ 82,37 omgerekend naar euro?