Tag: Kreta

Koffietje morgen?

Ik heb vanmorgen mijn haar niet gewassen.

De boss en ik zijn op weg naar de hoofdstad.
Het is een stralende dag vandaag, er liggen
zelfs mensen in de zee.

Ik zie ze heel duidelijk, ik heb mijn hoofd
dermate verkrampt naar mijn zijraampje gedraaid, dat ik er vanavond geheid geblokkeerde nekspieren aan zal overhouden.

De boss zwijgt eveneens. Hij weet precies welke risico’s hij loopt als hij nu “don’t go silent on me, Babette” zegt.

Zsuzsa hing gisteren aan de lijn.
“Haai, Boss! Koffietje morgen zo rond 10 op Lions’ Square? Ik heb een fan-tas-tisch voorstel!”

Boss, steeds in voor een watdanook voorstel,
hapte toe, zoals een caretta caretta in rugligging naar water.

Zsuzsa is uitgeefster, begenadigd kok en kort aangelijnde pitbull.

Bovendien negeert zij mij straal, dus ik mag haar niet zo
en iemand zal hiervoor boeten.

Zsuzsa vliegt op me af, er hangt een kwart pond zilver aan elk van haar oren. Luchtzoenend slaag ik erin onherstelbare schade aan mijn exclusieve brilmontuur te voorkomen.

Ik voel meteen aan mijn water dat mijn aanwezigheid geenszins op prijs gesteld wordt.

En Zsuzsa heeft een vers gat in de uiterst zwakke markt ontdekt, dat vertelt zij uitgebreid aan de boss, die het wel hoort, maar niet luistert.

Haar Griekse klanten betalen immers haar facturen niet, dus moet zij noodgedwongen haar overigens ongemeen pittige grenzen verleggen. Een winkeltje met Griekse produkten annex vreet-het-nu-meteen-op
bistrootje lijkt haar wel wat.
En laat zij nu net het perfecte pand gevonden hebben. Maar laat zij nu net niet
onmiddellijk in staat zijn de vereiste 15.000 lappen voor de franchise op tafel te leggen.

De boss laadt inmiddels een foto van zijn cappuccino op voor zijn facebookfans. Ik blijf meevoelend en zwijgend naar Zsuzsa
staren.

“How was Istanbul?” vraagt zij mij uiteindelijk.

“Absolutely amazing, my dear. Booming.
Full of opportunities. You must visit it some time”.
          Afbeelding

Doubt is devil-born

De kronkelende weg naar het Kazantzakis-museum in Myrtia ligt er zinderend heet en wat verlaten bij.

Wij hebben er geen erg in, wij hebben net een rondleiding langs de Boutari-wijnkelders achter de rug en de wine-tasting heeft ons humeur nog zonniger gemaakt dan het doorgaans al is.

Onze Amerikaanse gaste wil graag het museum bezoeken, wij deden dit al bij herhaling, dus zoeken wij alvast een plaatsje uit op het terras van één van de twee cafeetjes tegenover het museum om bij een gigantische kop koffie even rustig het bescheiden dorpsaanbod sandwiches te kunnen overlopen.

Het is niet zo, dat de drempel van het museum vandaag zal worden platgelopen. Georgia, de sexy conservator, vindt ruim de tijd om boezemvriendelijk (het is dan ook erg warm) aan een plaatselijk televisiestation een interview toe te staan.

Een eerste koppel stapt twijfelend op de deur af, lummelt wat rond, neemt uiteindelijk de klink vast en staat na drie minuten weer buiten. “Hadden zich vergist, dachten dat dit het geboortehuis van Kazantzakis was”.

Zo mogelijk nog sneller dan dit koppel, staat het volgende terug op de trappen na die eerst driemaal op en neer te zijn gegaan voor het de euvele moed had samengeraapt om binnen te stappen.

Gebiologeerd kijken wij toe.

Treuzelend verplaatsen zij zich over het dorpsplein, doen tweemaal zowat de gehele omtrek ervan. Tot hij het eerste cafeetje in de smiezen krijgt, kordaat nu, binnenstapt en bij het verlaten heftig zijn hoofd schudt naar zijn wijffie dat een eind verderop schuifelend een zonallergische reactie staat uit te broeden.

Het is duidelijk, hij draagt hier de hoed. En het is hem aan te zien, dat niets hem nu nog zal tegenhouden. Hij stormt zowat ons cafeetje binnen. “Wat moet een koffie HIER kosten”?

1 euro. 1 euro! Du jamais vu in deze bailout-tijden, waar je toch al makkelijk 3 euro voor een koffietje moet gaan ophoesten.

Hij gaat aan het tafeltje naast ons zitten en wenkt het wijffie dat inmiddels halfcomateus van de hitte is. Of van de schaamte.

Verbluft kijken wij toe en voelen hier een status opkomen. Hij hoort de klik van mijn fototoestel. Dat is ook zo’n verdraaid luidruchtig antiek ding.

“Hebben jullie het museum bezocht”? draait hij zich naar ons toe.

“Verscheidene malen zelfs, ja”.

“Wij zijn van gedachten veranderd. Stel u voor, 3 euro toegangsprijs!

Dieven zijn het! Geen wonder dat er geen kat loopt. DRIE euro!”

Hier heb ik even geen repliek op. Of althans, ik twijfel of ik die op hem zou loslaten.

Twijfel is inderdaad een duivelskind.Afbeelding

Grumpy Old Bitch

  Erger nog dan zomaar een spijtig voorval – waarvoor wij ons oeverloos zouden verontschuldigen – het is een vanzelfsprekende wetmatigheid dat in Kreta elk evenement minstens een uur later begint dan is vooropgesteld.

Een antiek koppel – zoals wij dan zijn – vindt het dus maar zaak en leert het niet af om reeds om 20:30 acte de présence te geven als een voorstelling om 21:30 begint. Of zou moeten beginnen.

Niet zo de Griek. Die duikt om 21:30 nog de douche in en stuurt alvast iemand vooruit om de nodige plaatsen voor de familie en aanverwanten voor te behouden. Die iemand is dan bij voorkeur een vrouw van rijpere signatuur en/of omvang, bereid om haar leven of wat er nog van overblijft, op te offeren voor de niet minder dan 10 zitjes waar haar dierbaren hun hygiënisch frisse achterste zullen gaan parkeren.

Die iemand moet dan ook bij voorkeur enige ballast kunnen torsen, want de 10 zitjes worden middels handtassen, jassen, pulls, sjaals, brillen en flesjes water ten zeerste ontoegankelijk gemaakt voor de vermaledijde die ook op de voorste rijen wil gaan plaatsnemen.

Is dit alles nog niet voldoende, dan zijn een vlotte woordenstroom, een schril stemgeluid en wapperende handen en armen de middelen bij uitstek om veiligheidshalve helemaal achteraan uw toevlucht te zoeken.

Dit allesbehalve genoegen had ik dus toen zo’n Mrs. Grumpy haar boze oog op mijn rij liet vallen. Haar ruime, propere familiekring terwille, schoof ik zelfs twee stoelen op en nam voor lief haar encombrant jojogedrag telkens zij een insijpelende bekende opmerkte en in haar liefhebbende armen sloot. Met telkens een deel van mij erbij. Soit.

Dit alles in een openluchttheater dus. Ik bedoel, openluchtiger kon het geheel niet zijn. Stel je het plaatje voor. Buitenlucht, bomen, avondbries, zuurstof… en een massa Grieken die het roken hebben opgegeven om bezuinigingsgerelateerde redenen. Ik niet. Anderhalf uur wachten, zonder sigaret, het is mij teveel gevraagd. Ik waag mij aan eentje, want in de buitenlucht. Blaas de rook richting de boss, want verbaast zich daar niet meer over.

En heb de toorn van Mrs. Grumpy over mij gehaald. Een Grieks drama uit de eerste hand. Met veel omhaal is zij vier stoelen verder gaan zitten en haar blikken vol weerzin hebben mij de ganse avond gezelschap gehouden.

Gerookt heb ik niet meer. Mij enkel de bedenking gemaakt dat de heer Samaras zich het liefst mijlenver uit haar Kretenzisch gezichtsveld moet houden.

Het Liftende Buufje

Staat zij daar, oud en gebogen, pal in het midden van de straat en heftig met de armen zwaaiend, net als ik de heuvel kom afgestormd en dus niet zo meteen ter plekke stil kan staan.

Naar Kato Gouves rij ik“, zeg ik haar voor alle duidelijkheid, terwijl ik mij buig naar de passagierskant om het portier te openen. Die moeite had ik mij kunnen besparen, zij zit al.

Kato Gouves. Paris farmakio?” pols ik voorzichtig. De apotheek van Paris is hier namelijk de landmark en gezien de wild om zich heen slaande crisisgevolgen, ga ik er automatisch van uit dat zij daar moet zijn.

Je zou enige reactie verwachten. Niet dus. Zij vertrouwt de expats niet, zoveel wordt mij duidelijk. Of misschien is zij wel doofstom? Wat volgt, laat zich raden. I’ve been there. Als een razende begint zij tijdens de rit op haar borst te kloppen en kruistekens te maken. Ik voel mijn waardigheid afsterven.

Ik stop aan het kruispunt. “Kato Gouves, farmakio!” gil ik. Zoals een buschauffeur zijn eindhalte omroept. Geen beweging in het mensje te krijgen. Duidelijk niet de minste intentie om uit te stappen.

Zij strekt haar arm naar links. “Gournes!“, roept zij. Niks doofstom. Ik schud mijn hoofd : “Ochi!“, en strek mijn arm naar rechts. “Hersonisso!“. Zij naar links : “Gournes!”.

Ik probeer haar, bijna wanhopig nu, uit te leggen dat ik helemaal niet in Gournes moet zijn. Even toch twijfel ik, of ik haar tot Gournes zou brengen, maar begraaf de hulpvaardige gedachte, bij nader inzien.

Wij blijven, afwisselend armstrekkend, op het kruispunt staan. Dikke tien minuten later is zij, zeer onwillig, bijna boos, uitgestapt.

Een volgende keer is mijn naam haas.

Babel-utte

Zo, onze jaarlijkse nieuwjaarslunch voor de vrienden is ook achter de rug.

Onze vrienden, dat zijn met name de stervelingen, die tot de vaststelling zijn gekomen dat ik niet de Albanese huishoudster van Boss ben, maar gewoon “a nice girl”.

Met een restje aan maatschappelijke verantwoordelijkheid in het achterhoofd, is het samenstellen van een degelijke gastenlijst geen lachertje en verdient enige focus. De minderheids- en andere achtergestelde groepen mogen immers niet over het hoofd worden gezien. Dus, er moet minstens één vrouw zijn, minstens één mindervalide, minstens één homo en minstens één medemens met een diepe huidskleur.

O ja, die en die. En wat dacht je van die? Enkel de laatste is een probleem. Kennen wij een donkerhuidige chap? Met een das en tafelmanieren en die geen rits kinderen naar een lunch meesleept?

Kleurlingen zijn dun gezaaid in onze Kretahoek, de enkelen niet te na gesproken die mij op de terrasjes steevast zo’n doosje met haakje proberen te verlappen, waarmee je binnen de drie seconden een draad door een naald kan halen. Eén euro en gratis demonstratie.

Ik heb zo’n doosje en vertel dat dan ook eerlijk als de derde in rij langs schuift. En dat ik er heel tevreden mee ben. Het is hen trouwens meteen aan te zien dat zij mij niet geloven.

Geen chap, een chick dan? Boss krijgt het op zijn heupen. Ja, natuurlijk! Maar laat zij nu net op familiebezoek in Hawaï zijn. Zullen wij er dan maar een diep getaande Griek bijhalen? Niemand die het verschil zal merken, het is er al met al nogal duister in die taverna.

Twee dagen pandemonium verder zijn de uitnodigingen de deur uit en liggen de naambadges keurig klaar.

En ja hoor, het was een perfect eclectische bende altogether, het kleurrijke kruim dat een paradijselijk eiland pleegt te bevolken. Zij kwamen uit Finland, uit Zanzibar, uit Canada, uit de VS, uit Vlaanderen en Nederland, uit Ierland, uit Italië, uit Hongarije, uit Australië en uit Turkije. En uit Griekenland.

Er was zowaar ook een Brit, eentje maar. Boss delft voor een keer het onderspit. Britannia rules.

 

Afbeelding

Oooh… you look FAB!!

Feit : Gisteren heeft Boss zijn omslagfoto gewijzigd.

Niks te vroeg, want er stonden nog steeds kerstwensen op, totaal incompatibel met de spetterpoep waarvan je langzaam herstellende bent na het obligatoire nieuwjaarsfamiliediner.

Smashing staat hij erop. Linnen zomerkledij, bloot op
voor kinderblikken toelaatbare lichaamsdelen.
Diepgebruind ook, zo’n tint die ik nog niet na drie dagen-
drie lagen Sublime Bronze kan benaderen.

Werelds, gebalanceerd, larger than life.
Een zelfingenomen, voldaan glimlachje naar de fotograaf.
In dit geval zijn vorig lief. Ik ken dat glimlachje, die twee
hebben een paar uren voordien echt niet achter een
winkelwagentje lopen slenteren.

Het effect was terstond en laaiend.
Geen kunst als 748 van je 792 vrienden vrouwen zijn.
Onbegrijpelijk als hij er hooguit 63 ooit persoonlijk heeft ontmoet.

Bijna was de omslagfoto viraal gegaan, aan de omvang van
de hormonale, postmenopauzale übercomplimenteuse
commentaren zal het niet gelegen hebben.
Stupid chicks.

Boss glunderde. Wentelde zich uren behaaglijk in deze
vrouwelijke adoratie.

Tot ik hem eraan herinnerde dat de foto minstens 6 jaar
oud was. “Zie je, sweetheart, minder haar, meer buik…”

Ik heb genoten van een geruisloze, ongestoorde avond.

Hoe breng je slecht nieuws op 31 december?

Feiten : je hebt net de flank van je wagen tegen een geparkeerde verroeste truck aangeschuurd.

Je bent niet gestopt, want je leeft op Kreta en daar stop je niet zolang het bloed niet van je motordeksel druipt.

Het ziet er niet lief uit. Dit is wel het aardigste understatement dat ik kan
bedenken als ik, vijf mijl verder, besluit de schade toch even op te meten.

Ik moet mijn stijgende ergernis kwijt. Het overvolle bankkantoor, waar de
Grieken, die nog niet van ontbering zijn gestorven, uiterlijk vandaag hun
autotaks moeten betalen, lijkt mij de meest aangewezen ventileringsplaats.
“Of mijn nieuwe bankkaart reeds is aangekomen?” vraag ik de bleke
bediende, die mij vorige week verzekerde dat de kaart er over drie weken
zal zijn. ?!£#%!§$#S@Fck! Oef, mijn bloeddruk daalt zienderogen.

Eens buiten en een beetje confuus, besef ik dat the worst is yet to come.
Ik moet Boss bellen.
Hem zo terloops mogelijk even mededelen dat mijn dagplannen wegens
deze onvoorziene en vooral ongewenste omstandigheden zijn gewijzigd.
Een afgemeten bericht in een drukke, lawaaierige straat lijkt mij het beste.
Het treft, bankkantoren liggen wel eens vaker in drukke, lawaaierige
straten. Niet huilen, vooral niet, hier kom je enkel mee weg in je
wittebroodsweken. Overdrijven, hem zeggen dat de hele passagierskant
nu aan die fokking truck hangt. Schuld bekennen, niet té nadrukkelijk.
Gevoel manipuleren, “maar ik ben oké, hoor!”.

Ik bel. De boodschap moet vooral nauwelijks verstaanbaar overkomen,
dus ik peuter al pratend in mijn neus, niet helemaal ladylike in een
drukke straat, toegegeven, maar what the hell.
Mijn vis braadt. Boss verstaat maar de helft van het verhaal en wijt dit
aan de slechte telefoonverbindingen op het eiland.
Ik heb trouwens ook al tweemaal totaal overbodig “Wablief?” gebruld, de
ervaring heeft mij geleerd dat hij het daarna voor bekeken houdt.
“Of ik nu maar onmiddellijk naar huis kom, want ik klink erg overstuur”,
dringt hij aan.

Ik parkeer de gehavende vehikelkant pal naast een muur, er kan zelfs geen
kat meer langs. Bovendien wil ik koste wat kost voor mijn nieuwsgierige
buren mijn waardigheid behouden.

Als Boss zich met alle geweld de visu van het onheil wil vergewissen,
sputter ik pro forma nog wat tegen.
“Maar dat valt nog mee”, zegt hij na een blik op de meterlange krassen.

Ik heb wijselijk mijn mond gehouden.