Tag: Pensioen

I’m alive!

poorme

Voor de armlastige Belgische Staat moet het perspectief, dat zij mijn karig pensioentje nog zouden doorbetalen terwijl mijn ingewanden al druk aan het fermenteren zijn en de piesbloemen tussen mijn tenen omhoog krullen, een verschrikking van de hoogste orde zijn.

Al helemaal als die onderdaan zich in rubriek 92bis paragraaf 17 van de burgers-die-het-grondgebied-definitief-hebben-verlaten bevindt en zich vooral verder aan alle rechten en plichten wenst te onttrekken.

Dat is dus buiten de waard gerekend. Om nog boter bij de vis te krijgen, moet en zal je om de zes maanden bewijzen, aan de hand van het daartoe geëigende formulier, de facto en de visu, dat je nog leeft. Het zal dus niet volstaan, een mailtje naar de financiën-ambtenaar te sturen in de trant van “Ha, die Michel, hoe gààt het nog met je, ouwe jongen? Ik leef nog, hoor, volgende keer meer geluk!”   

Michel antwoordt nooit. Hij is einde loopbaan en niet meer om de tuin te leiden. Bovendien staat hem nog levendig het vermanende vingertje van zijn chef de bureau voor de geest, dat corruptie steeds om de hoek loert en “dat mens woont wel in Griekenland hé, Michel, wink wink”.

Het formulier dient door een officiële instantie ondertekend te worden. Waarbij bedoeld wordt, dat je het best een official uitzoekt die minstens zeven stempels op een rij op zijn desk heeft staan. De politie bijvoorbeeld. Daar stap ik dus niet meer binnen, sinds ik de vettige Kostas, de enige agent die twee woorden Engels kan lezen, noch op maandag, dinsdag en woensdag aan zijn bureau kon vinden. Op donderdag was hij net gaan eten en op vrijdag had hij geen tijd.

De gemeente dan, waar je aan de hand van je paspoort en je handtekening geïdentificeerd wordt en vakkundig beschouwd als in duidelijk levende toestand verschijnend voor de ambtenaar. Vier stempels, een krabbel, en tot over zes maanden dan maar weer.

Ik stuur de ouwe jongen steeds een berichtje dat mijn levensbewijs eraan komt met vermelding van het codenummer van de brief. En zie, ditmaal heeft de Michel van zich laten horen, zij het dan op automatisch gegenereerde wijze.

“Ik ben afwezig van Ma 29-7-2013 tot Di 30-7-2014. Ik ga met pensioen”.  

Hij is wellicht niet naar Griekenland uitgeweken.

Eindelijk rust!

Afbeelding

 

Negen jaar niets van haar gehoord. Dan plots hoogst ongevraagd door een oud-collega teruggehaald worden naar een tijd die allang de jouwe niet meer is, nou, I didn’t see that one coming. Je gaat ten slotte toch drieduizend kilometer verder wat kluizenieren om dergelijke kanttekeningen in je levensboek weg te stuffen.

“Dag Babette. Een vraagje : onze Anton gaat met pensioen, wij willen een boek maken met “schrijfsels” van collega’s door zijn loopbaan heen. Zin om ook iets voor hem te schrijven?”

Jezusmina, dacht ik meteen. Die moet wel heel erg diep in de fijne kak gezonken zijn om zoiets uitgerekend aan mij te vragen. Dit verzoek grenst aan onwaarschijnlijke rampzaligheid. En wie is Anton eigenlijk? “Onze” Anton dan nog? Ik kan mij niet herinneren ooit wat voor Anton dan ook, de mijne, laat staan de onze, genoemd te hebben. Of welke andere man dan ook, for that matter.

Een boek? Valt er dan zoveel over Anton te schrijven? En ik zou mij die schilferkop gegebenenfalls niet herinneren?

Neen, ik heb er geen zin in. Om de praktische reden dat er over Anton niets te vertellen valt. En mijn “schrijfsel” in dit geval dus onoverkomelijk en volledig terecht in het niets zou verzinken bij de bijdragen die zijn vele collega’s zo driftig lovend zullen gaan verzinnen, althans dat mag ik hopen.

Want Anton bezat de opmerkelijke gave zich totaal onzichtbaar te maken. Een ganse loopbaan van voorzichtigheid, zwijgzaamheid, onderdanigheid, geduld en verveling. Eenmaal slechts ging hij beroepshalve zwaar in de fout, het had hem zijn baan en zijn nu riant pensioen kunnen kosten. Ik heb toen gezwegen, uit collegialiteit. En dit zal hij vast niet in zijn uitzwaaiboek willen terugvinden.

Je zal als nieuw rusten en sterven, Anton.