Tag: Plasdrang

Faire Pipi

French_Tourists

Bloedheet is het in het dorp vanmiddag. En onaards stil. Zelfs de straathonden blaffen niet. Zij liggen uitgeteld naast de bron op het plein, waar de mensen, die niet op de waterleiding zijn aangesloten, dagelijks hun plastic flessen en jerrycans komen vullen. Iedereen houdt vensters en deuren potdicht en probeert een paar uren door de hitte heen te slapen.

Het geroezemoes dat ik nu meen te horen, zwelt aan. Ik hoor stappen, veel stappen. En veel opgewonden stemmen. Fransen. Yiannis, de zelfverklaarde burgervader van het dorp, loopt zelfverzekerd aan het hoofd van een meute opgewonden désagréables en sleurt heftig aan ons hekken.

“Boss! BOSS!” Ik vrees het ergste. Een bosbrand, een aardbeving, een hittedode, de moffen nogmaals? Neen, de onverlaat die het aandurft Boss uit zijn middagslaapje te halen. Een buslading Franse toeristen is, op weg naar de fameuze grot waar geen publiek is toegelaten wegens te gevaarlijk, gestrand voor Yiannis’ deur en hij begrijpt ze niet, maar veronderstelt dat zij moeten pissen. En gaat ervan uit, dat dit bij Boss & Babette wel moet lukken.

De massa valt op onze patio bijna over elkaar heen en vormt giechelend en grappend een lange rij langsheen de buitendouche, recht naar wat wij grinnikend onze “visitor’s corner” noemen. Geduldig wacht elk zijn plasbeurt af, onderwijl ah-end en oh-end over het huis en hoe chaleureux et raffinés de bewoners wel zijn.

En of er ook de possibilité is om het even vanbinnen te bekijken? Misschien ook wel quelque chose à boire? Boss, heimelijk toch wel trots op het huis, dat hij zelf ontworpen heeft, loodst de horde van onder naar boven en van links naar rechts, en installeert die uiteindelijk met een paar liter raki op het zomerterras. Dat gelukkig onder het gewicht niet is bezweken.

De grot hebben zij niet meer bezocht, daar hadden zij bij nader inzien geen zin meer in. Op de foto daarentegen wilden zij bij het afscheid wel graag. Want tevreden waren zij, dat zie je zo.

Boss ook trouwens, hij presteerde het 2 euro per “plas + glas” aan te rekenen. I’m burning with shame.

Don’t shout at me!


Van mensen met een niet-curatieve plasdrang zou je toch verwachten,
dat zij het fatsoen hebben om in een vliegtuig niet met alle geweld
aan het raampje te willen zitten.

Dit als natrap aan het vrouwmens met zwakke blaas, dat mij en de boss
elf maal heen en terug heeft verplicht mijn gordel los te klikken,
naar mijn schoenen onder de zetel te zoeken, mijn kindle weg te stoppen,
evenwichtig en gracieus recht te komen en mijn buikspieren in te krimpen.
En aan wie ik hierover geen opmerking durfde te maken, nu eenmaal het mens
zijnde, dat qua aangename persoonlijkheidskenmerken enkel in superlatieven
valt te omschrijven.

I am pissed off. Ik voel mij als het worstje van de hotdog, geprangd tussen
een ijverige druppeltrees rechts en een archiboze boss links, die beiden
uiteraard beslag hebben gelegd op de armsteunen. Ik zwijg als vermoord, je
zal uit mijn pas opgekalefaterde mond geen zuchtje horen, want de boss is
al een paar uren uiterst ontstemd en ik dus ook.

Ik had de bui niet zien hangen. Als razende gekken hadden wij de laatste
koffer à la dernière minute nog gepakt en middels mijn achterwerk potdicht
gekregen en aan het vliegveld de wagen geparkeerd waar het niet mocht.
Niks ongewoons voor ons dus.

Het is 5 u in de ochtend en op de vijf meisjes aan de check-in balies na, is
de vertrekhal van Heraklion Airport totaal verlaten. Boss stevent met zijn
handbagage op het kind van Cyprusair af, mij en twee koffers in zijn energiek
kielzog.

Ik hijg met verhoogde bloeddruk : “I think you’re mistaken, boss. We’ve booked
with Aegean“.
Hij hoort mij niet. Haalt al kalimera-end zijn papieren boven, waarop het lieve
kind met de slaapkorreltjes nog in de ooghoek, hem op zijn vergissing wijst.
Het dringt nog altijd niet tot hem door.
Ik kom het meisje ter hulp : “We need the Aegean check-in, boss. This is
Cyprusair”.

Het galmt door de lege hal, vijf hoofden draaien zich verschrikt om als een
diepgekwetste egotripper zich woedend tot mij richt : “Don’t shout at me!
I promise you, if you ever shout at me again, you will never see me again!”

Ik sta perplex. Ik heb helemaal niet geroepen, noch heb ik ooit de boss zo
horen tekeergaan. Totaal verveeld en diep verontwaardigd, hou ik mijn kop.
Vraag me af, of ik de reis niet beter alleen zou verderzetten.
Of ik met dezen tiep überhaupt nog twee weken naar Parijs en Gent wil.
Of hij deze ochtend zijn medicatie wel heeft ingenomen.

Koffie slurpend en kettingrokend heb ik buiten op een bankje de zon
zien opgaan en het leven zien verder gaan, veilig een halve mijl bij
hem vandaan.

In alle stilte is de vlucht verlopen. Ik heb mij ernstig verdiept in het overigens
oerstomme verhaal “Fatal Compulsions”. Hij heeft geslapen.

Toen wij in Parijs landden, sprak hij weer. Het klonk als een belofte.

Afbeelding