De autoverhuurder

Wie zich in een van de getekende personages herkent,
beschikt over meer fantasie dan de auteur (Adriaan van Dis)…




“Manoli, sweetheart? So sorry to disturb you, but this time the car is DEAD!”

Als zij in de shit zit en bijgevolg enige mannelijke interventie onvermijdelijk is, noemt zij de andere helft aan de lijn steevast “sweetheart“. En zet zij haar stemgeluid op “hulpeloos”.

Wrong time, dat wist zij. Op dit eiland wordt er tussen 2 en 5 gesiëst. En aanverwante horizontale activiteiten beoefend.

Dat zij haar sweetheart autoverhuurder hierbij wel degelijk had gestoord,
werd duidelijk toen hij in hoge mate geïrriteerd uitvloog.

What do you mean, DEAD? The car is not dead. NOT dead, d’you hear me?
Nothing wrong with this car. It’s the battery again.
You left the radio or the airco on, all night, I’m sure.
Just like you did last time”.


Hij had gelijk, wat de both times betreft. Maar zelfs met het hoofd op een hakblok zou zij dat niet toegeven.
Hij vond haar immers een Power Lady en een dergelijke reputatie verdien je niet zomaar.

Bij het eerste alarmerende batterijfalen, nauwelijks een week ervoor,
was Manolis na 20 minuten al ter plaatse.
Koud kunstje, zo bleek.
Want “bergaf, in tweede gooien en starten”.

Zij had goed geluisterd hoe het moest.
Deze keer besloot zij dan ook de klus in haar eentje te klaren.

En ging zij wel bergaf, in tweede, maar the car startte NIET.
En stopte dus ook NIET.

In ideale omstandigheden, zoals daar zijn klaarlichte dag,
hevige zonneschijn en geen tegenliggers, lukte het haar de berg, haarspeldbochten incluis, in 13 minuten af te bollen.

Toen de wagen beneden uiteindelijk stilviel, had zij haar record in de vernieling gereden. Haar zenuwen en haar hartritme eveneens, trouwens.

Alle incompatibilité des humeurs ten spijt, drong enige startkabelhulp zich dus op.
Nog steeds foeterend en stevig uit zijn hum, laadde Manolis de batterij op.

Zij hield, met bibberende knieën, nog steeds vol dat het falen ditmaal eigenlijk “not only the battery” was geweest, “you know Manoli ?”
En zoende hem achter zijn oor teneinde haar vermoedens kracht bij te zetten. Zijn gezicht en boosheid trokken witjes weg, het ongeleid projectiel kreunde bijna van spijt.
“I’m so sorry, milady, this has been a hell of a day, you know”.

De autoradio heeft hij voor alle zekerheid uit zijn huurkar gehaald.
Geen erg, vond zij. Radio2 kon zij er toch niet op beluisteren.

En de parkeerbonnen, die zij, netjes op datum geklasseerd, in het handschoenenvakje had achtergelaten, zou zij overigens ook niet betalen.

Geachte,


Hoi, Violet!

Zo, daar ga je. Totaal onverwacht, je was hier pas twee maal. Twee dagen, waarop je te laat aankwam en te vroeg vertrok trouwens.

Jouw blik vol medelijden, toen je mij ten afscheid je slappe handje toestak, de andere hand worstelend met jouw voorhistorische stofzuiger – want de onze vond je een shitty geluid produceren – was echt geen troostlap voor mijn diepe ontgoocheling, mocht je dat denken. Ik zie zo’n blik wel vaker.

Ik toonde nochtans veel begrip voor je, toen je zei dat je zeker geen stof zou afnemen, want dat haatte je. Er zijn in dit huis slechts een drietal honderden spullen af te stoffen, Violet.

Ramen lappen haatte je eveneens, want je was klein van stuk en durfde de ladder niet op. Dat deed ik dan voor je. Net zoals ik ook de bad- en slaapkamervloer dweilde, want je vond de natte tegels te glibberig zonder je rubberen boots, die je telkens vergat.

Het zomerterras natspuiten, dat deed je dan weer heel grondig en nauwgezet, dat moet ik je nageven. Ook al trok je daar anderhalf uur voor uit. Dat je zodoende onze jonge palmbomen ook verzopen hebt, neem ik je niet eens kwalijk.

Dat ik je voor je professionele, doch uiterst beperkte, hulp een dubbel uurloon uitbetaalde, nam Grom mij dan wel kwalijk.

Ik leg de schuld voor je plotse aftocht dan ook bij hem en wens je een aangenamere, nieuwe werkkring toe.

Darling D.

(in a letter from June 8, 2017 to her cleaning lady)

Boobs (Un)Ltd.

Voor een vrouw die – zonder aanwijsbare verdienste – beschikt over een facebookpagina A en B, kan je niet genoeg op je hoede zijn.

Des te meer, als je very nosy scrollend verdacht veel commentaren mag aantreffen van mannen, die zich in niet mis te verstane bewoordingen heel dankbaar uitlaten over a wonderful night met haar.


Helemaal duidelijk wordt het je, als je nadien met enigszins verhoogde belangstelling door haar foto’s wandelt en vaststelt dat zij er boezemgewijs doorheen de jaren een flink stuk is op vooruitgegaan.


Van het schriele wicht, dat haar tietjes omzeggens met haarkrulspelden in de vorm moest leggen, ontpopte zij zich tot een monumentale vrouw  met een genereuze 38J.
Dat hier enige cosmetische interventie aan te pas is gekomen, mag duidelijk zijn. Nu ik een respectabele leeftijd heb bereikt, moet je me niet komen vertellen waar de tepel hangt.

Ooit was Petroula de socialite van dienst alhier. Op elk event, waar meer dan tien mensen samentroepten, was zij present. Zij gaf zichzelf uit voor de publisher van een glossy magazine, hoewel dit enkel het gewrocht van haar echtgenoot was en zij zich nooit op kantoor vertoonde, gezien haar bruisend nachtleven.

Bij elke uitgave werd de inkijk op haar boezem groter, op elk weliswaar professioneel kiekje kon je van de fratsen van een uitbundige en naarmate de nacht vorderde zwaar doorzakkende (dit laatste mag u wel letterlijk nemen) Petroula meegenieten.


Edoch, toen de crisis wild om zich heen en haar man naar de minder synthetische borsten van een medewerkster greep, was dit einde verhaal. Met haar man en zijn maîtresse, verdwenen ook het tijdschrift en de glamoureuze voordelen waaraan zij zo gretig haar status ontleende.

Ik schrok toen ik haar voor het eerst ontmoette. Grom had al eens eerder een koffietje met haar gedronken, zo bleek. Vermoedelijk vond hij het toen verkieslijker, na eenzelfde blik op haar foto’s, mij niet ongerust te maken.


“This is Darling”, stelt hij mij voor en slikt het epitheton “my partner”, dat er normaliter op volgt, net op tijd in. Aan de verachting in de blik die ik hem toewerp, wordt het hem duidelijk dat hij binnenskamers hiervoor zal bloeden.


Petroula heeft zich voor de gelegenheid (zij heeft Grom “for a coffee with me” uitgenodigd voor een “waanzinnig” zakenvoorstel) in zwart leder gestoken.

Kniehoge laklederen laarzen met killer heels, té kort ledergerokt ook, ik zie de rivierenkaart van België op haar dijen. Ik duizel ook van haar décolleté, ik had er geen benul van dat zo’n minuscule shirtjes in de handel verkrijgbaar waren.

Zij is nog slechts een schim van de diva die zij ooit was. Zij davert van de zenuwen, zweet als een paard en brengt amechtig hijgend totaal onsamenhangende klanken uit.

Na de tweede koffie en Grom’s herhaalde en niet-beantwoorde vragen “what is this proposal about, Petroula?”, “can you tell me some more…”, wil zij weg. Naar een andere gelegenheid, want daar is iemand die ons het fijne van haar voorstel zal uitleggen.

Ik betaal de koffies.

Aan het andere eind van de stad aangekomen, plant zij ons neer in een duister zaaltje achter de bar. Wij wachten op die iemand en bestellen koffie.

Zij installeert nog steeds zwaar ademend een laptop, die wij verder niet meer nodig hebben. Vertelt ons inmiddels dat zij nu in de armoedige wijk rond Knossos woont en al haar verplaatsingen met de bus moet doen.

Grom probeert tevergeefs nog maar eens tot de kern van de zaak te komen. “We have another appointment at 4 o’clock, Petroula, maybe you might want …”  
De atmosfeer is beangstigend. Ik krijg plots visioenen van een “Populair-Koppel-Op-Kreta-Ontvoerd”-Breaking News, Grom schuifelt al even ongemakkelijk op zijn stoel.
Een jongeman stapt binnen, gehuld in de onmiskenbare nevelen van young entrepreneurship. Installeert zijn tablet op ons tafeltje, vraagt om een koffie en leidt ons binnen in de verderfelijke wereld van een zoveelste piramideconstructie, die de radeloze Grieken een zilvergrijze BMW en levenslange vakanties in de hongerige maag splitst.

Naar goede gewoonte, poneert Grom dat wij op dit moment echter onze volle aandacht bij een ander project hebben. Ik vraag Petroula of wij haar een lift naar huis kunnen aanbieden. Het hoeft niet.

Ik betaal de koffies.

Faire Pipi

Zomer 2019

Bloedheet is het in het dorp vanmiddag. En onaards stil. Zelfs de straathonden blaffen niet.

Zij liggen uitgeteld naast de bron op het plein, waar de mensen, die niet op de waterleiding zijn aangesloten, dagelijks hun plastic flessen en jerrycans komen vullen.

Iedereen houdt vensters en deuren potdicht en probeert een paar uren door de hitte heen te slapen.

Het geroezemoes dat ik nu meen te horen, zwelt aan. Ik hoor stappen, veel stappen. En veel opgewonden stemmen. Fransen.

Yiannis, de zelfverklaarde burgervader van het dorp, loopt zelfverzekerd aan het hoofd van een meute opgewonden désagréables en sleurt heftig aan ons hekken.

“Grom! GROM!” Ik vrees het ergste. Een bosbrand, een aardbeving, een hittedode, de moffen nogmaals? Oooh, de onverlaat die het aandurft Grom uit zijn middagslaapje te halen.

Een buslading Franse toeristen is, op weg naar de fameuze grot waar geen publiek is toegelaten wegens te gevaarlijk, gestrand voor Yiannis’ deur en hij begrijpt ze niet, maar veronderstelt dat zij moeten pissen. En gaat ervan uit, dat dit bij Grom & Darling wel moet lukken.

De massa valt op onze patio bijna over elkaar heen en vormt giechelend en grappend een lange rij langsheen de buitendouche, recht naar wat wij grinnikend onze “visitor’s corner” noemen. Geduldig wacht elk zijn plasbeurt af, onderwijl ah-end en oh-end over het huis en hoe chaleureux et raffinés de bewoners wel zijn.

En of er ook de possibilité is om het even vanbinnen te bekijken? Misschien ook wel quelque chose à boire? Grom, heimelijk toch wel trots op het huis, dat hij zelf ontworpen heeft, loodst de horde van onder naar boven en van links naar rechts, en installeert die uiteindelijk met een paar liter raki op het zomerterras. Dat gelukkig onder het gewicht niet is bezweken.

De grot hebben zij niet meer bezocht, daar hadden zij bij nader inzien geen zin meer in. Op de foto daarentegen wilden zij bij het afscheid wel graag. Want tevreden (en aangeschoten) waren zij.

Grom ook trouwens, hij presteerde het 2 euro per “plas + glas” aan te rekenen. I’m burning with shame.

Geachte,

Miauw Stinky,

Al vanaf het moment dat een of andere schurk jou als een van zijn hoogst ongewenste kittens bij mij op de stoep parkeerde, wisten wij beiden, dat wij nooit de beste vriendjes zouden worden.

Ik heb het niet op rosse streepjeskatten, en al helemaal niet als die rosse streepjeskatten geen greintje dankbaarheid tonen als hun eerlijke vinder hun wel de dagelijkse kost, maar geen inwoning kan aanbieden.

Ik had er dus vrede mee, dat jij je genoeglijk installeerde op mijn auto, waar je een perfect uitzicht had op knaagdieren van diverse omvang, zodat je enige garantie had op steviger kost mochten mijn dagelijkse brokken op termijn niettemin tot een gewisse hongerdood leiden.

Wist ik veel dat jij binnen de kortste keren van mijn carrosserie een AirBnB zou gaan maken. Of dat jij, en bij uitbreiding je ganse gasten-populatie, zo ontzettend aartslui godganse dagen op jullie dakterras in het zonnetje zouden gaan baden.

De enige beweging die ik bij jullie herhaaldelijk kon vaststellen was van louter procreatieve aard.

Nu ik tot mijn ontzetting, en die van mijn garagist, verneem dat de brandstof-, rem- en aircoleidingen van mijn wagen helemaal tot prut herleid zijn door knaagdieren – je weet toch, die prooien waar jij normaliter op jaagt – kan ik enkel maar besluiten, dat jij je werk niet naar behoren hebt uitgevoerd en mijn gastvrijheid niet passend hebt gehonoreerd.

Ik verzoek je dan ook dringend de plaat te poetsen, samen met jouw omvangrijke, buitenechtelijke kroost.

Darling D.

(In a letter from March 13, 2012 to her cat Stinky)

Ochtendlijk Geprikkel

Ik haat cactussen. Grom heeft er een onverwoestbaar zwak voor, dus binnen, in, aan, op, naast, onder, tussen en langs onze wallen zal je deze prikkerds in diverse formaten aantreffen.

Ik ben haatdragend genoeg om ze elke vorm van genegenheid te ontzeggen, maar dan weer niet zo’n onmens, dat ik niet vertederd kan staan trillen als er eentje een sporadische bloem opengooit.

Zo ver kan mijn vertedering voor deze last minute bloemen zelfs reiken, dat ik mij, in de overtuiging dat op dit ontiegelijk vroege uur enkel de slaaploze krekels klaarwakker zijn, even de straat in waag om pijlsnel een foto te maken van zo’n kleurenexplosie.

In mijn nachthemdje. Dat bovendien doorschijnend is.

Sta ik me daar wijdbeens de juiste invalshoek te kiezen, rukt mijn overbuufje plots haar voordeur open; luidkeels kalimera-end wenkt zij me binnen.

Ik zwier in alle haast nadrukkelijk het hemdje links en rechts om mijn lijf, zodat zij kan zien dat ik eigenlijk niets om het lijf heb. Drie volle minuten wring ik mij in zulke vernederende bochten, het mag niet baten.

Met beide armen voor mijn borst, zit ik nu op haar beste stoel. Dat weet ik, want er hangt een gehaakt doekje over. Zij maakt een kafedaki voor me klaar, dit wordt geheid zo straf, dat mijn titties nu zullen staan waar een décolletébesparende ingreep jammerlijk faalde.

Eleni diept haar Sint-Marina-brood uit een plastic zakje. Die heilige werd gisteren uitbundig in het dorp gevierd, geen idee wat Marina zaliger daarvoor heeft moeten presteren.

Ik moet het brood in mijn koffie soppen, maant Eleni me in flink koetergrieks aan. Er volgen koekjes, die ik niet lust. Ik maak Eleni duidelijk dat ik al ontbeten heb, waarop zij nog een paar hompen Myzithra-kaas naast de koekjes legt.

Ik durf nauwelijks naar de batterij familiefoto’s kijken, die kriskras aan de muren genageld zitten. Of die in niet-passende lijstjes op haar uitzetkast staan. Ik weet immers, dat zij de hele familiesaga uit de doeken zal doen.

Wat zij ook doet. Ik knik soms, ik beaam nog vaker, ik trek ook al eens grote ogen, ik versta er geen barst van en vraag me af wanneer ik met enig fatsoen afscheid kan nemen.

Plots verdwijnt Eleni naar de slaapkamer. Ik hoor laden schuiven, kastdeuren opengaan. Jeetje, dit is niet het moment waarop ik door de openstaande deur kan vluchten.

Fier als een Griekse gieter overhandigt zij mij zo’n zakdoekje, waar zij eigenhandig een fijn randje om heeft gehaakt. Een allesomvattende geur van overjaarse mottenballen maakt mij ellendig.

Voor jou”, zegt zij. “Ik hou zoveel van jou”.

Ik hou ook van jou, Eleni”.

Ik neem me voor, een aquarelletje voor haar te maken. Met vogeltjes, vlinders en bloemen.

Heuse bloemen, niet van die kutte cactusbloemen.

Geachte,

Hi Bob!

Wat vervelend, dat je tuinbedrijf uiteindelijk op de fles is gegaan. Het moet een dolk door je hart zijn geweest, vast te stellen, dat je Britse mede-inwijkelingen op hun uitgedroogde lappen grond, die je in betere tijden met je druppelend zweet en je vaste planten tot jaloezie-oases hebt omgetoverd, nu rijen tomaten, komkommers, paprika’s en aardappelen hebben neergepoot, want “we’re all in this together”, nietwaar.

30 terrasplanten heb ik tijdens een van je uitverkoopdagen gekocht, herinner je je nog? Waarvan er 6 hun nieuwe thuis in mijn kleine kofferruimte dodelijk afgeknapt bereikten. 9 andere lieten het binnen de maand definitief afweten. Vonden de Khadaffi-wind niet naar hun zin, denk ik. Al kan het ook een gebrekkige watertoevoer geweest zijn. Of Duitse voedingsstaafjes.

Kortom, ik heb er nu nog 7. Die niet bepaald een groeispurt hebben vertoond. Behalve die 2 dan, die ik trouw elk jaar, met steeds meer mankracht, naar een grotere keramische pot heb overgeheveld. Hun tempo was niet bij te houden.

Nu ik er gisteren toevallig enkele vruchten meende in te ontwaren, stel ik mij de vraag, of je mij destijds geen bomen hebt verkocht. Ik zou het dan ook waarderen, mocht je eens een kijkje komen nemen. Je kan een telefonische afspraak met de heer des huizes maken.

Darling D.

(in a letter from July 10, 2014 to her landscaper)