Wrong Island

Anno 2015.

Het is bijzonder erg gesteld met de geletterdheid c.q. geografische basiskennis van de medewerkers van het nog steeds niet failliete koerierbedrijf, waarvan ik de naam niet zal noemen, maar het begint  met A.

Long story short. 6 maanden geleden wordt Grom’s debit card bij zijn Engelse bankinstelling, waar hij al een halve eeuw klant is, aan de betaalautomaat geweigerd. Reden “Greece is a high risk country“. Zomaar. Geen verwittiging. 

Grom is not pleased. Wat volgt is een (vergeefse) maandenlange, regelrechte veldslag met de diverse hiërarchieën binnenin de eerbiedwaardige Londense instelling. Tot uiteindelijk zelfs de Nationale Ombudsman de handdoek in de ring gooit.

Grom is er evenwel de man niet naar om zich vlug gewonnen te geven. Hij blijft lachen. Net zoals “La Vache Qui Rit”, beweert hij. 

Nou goed. Je leeft niet voor niks 10 jaar op Kreta. Via slinkse wegen slaagt Grom erin, een kantoorhouder in Somerset UK te overtuigen een nieuwe debit card aan te maken. De kaart wordt op 1 september, aangetekend en al, verstuurd.

En zou hier dus al zijn, waren er niet de imbecielen van A.

Zij stuurden gisteren een sms-je. Hier ligt een pakje voor u. Gelieve ons te bellen. Het zonenummer komt ons niet meteen bekend voor.

Ja, het pakje ligt bij hen op kantoor.

Op het Sporadeneiland SKOPELOS.

De Eagerly Awaited Agenda

Het is mij nu wel duidelijk, dat het aantal kerstmissen en verjaardagen, die mij nog te beurt zullen vallen, merkwaardig lager zal liggen dan deze die ik achter de rug heb.

Opmerkelijk is ook, dat het aantal geschenken, waar Grom bij zulke gelegenheden komt mee aandraven – en die ik overigens wel heb verdiend – dezelfde trend volgt.

Ik ben een agenda-mens. Zonder agenda voel ik me naakt. Twee op mijn desktop, twee ernaast en drie in mijn handtas. En twee schriften waarin ik alles noteer omdat die agenda’s te klein zijn.

Ik droomde dus niet alleen van een grote agenda, ik zei het ook luidop. In elk geval toch luid genoeg om Grom te verwittigen, dat dit voor Kerstmis het uitgelezen geschenk zou zijn voor a woman who has everything. 

Op 27 december (!) zou hij er eens werk van maken. Om de hoek, op 7 minuten 30 seconden wandelen van zijn kunsttempel (minder zelfs als je loopt) is zo’n prachtige papierhandel.

Maar neen, diezelfde agenda moest bij John Lewis in Londen besteld worden met £7,50 verzendkosten erbovenop. Dat dit op een disaster uit zou draaien, had ik kunnen voorspellen.

De lazy bones hadden voor de verzending een beroep gedaan op de minder uitstekende diensten van een koerierbedrijf, waarvan ik de naam niet zal noemen, maar het begint met A. En laat dit nu net het bedrijf zijn, waar Grom van oudsher een sterk doorleefde haatverhouding mee heeft, of althans met de dame die in Hersonissos de telefoon hanteert.

Zes geanimeerde gesprekken later, haar resolute weigering om het pakketje door-to-door af te leveren, en het pakketje werd naar de afzender teruggestuurd.

Volgden drie weken van knarsetandend bellen met het Engels bedrijf en versturen van dreigmails. Met Grom valt op zo’n momenten niet te lachen. Weken windstilte, want het pakketje was opnieuw verstuurd en men zou de verzendingskosten even herbekijken, Sir.

“Would you mind stopping by at A. when you’re in town, sweetie, the diary should be here by now” vroeg hij begin maart, toen ik vertrekkensklaar stond voor mijn boodschappenronde. Ik vond de deur van het kantoor hermetisch gesloten.

9 maart. Een man van A. belt. Ik vermoed dat de trillende telefoondame te zwaar onder de prozac zit na haar veelvuldige aanvaringen met Grom.

Of wij het pakketje kunnen ophalen op de oude vliegbasis in Gournes? Want helemaal tot ons bergdorp rijdt hij niet“.

Ik geef Grom ditmaal geen kans om nog maar eens te jeremiëren over zijn door-to-door en rij naar de afgesproken plaats, vastberaden om of met mijn kerstgeschenk terug te komen of Grom zijn hersens in te slaan.

Als ik de bestelwagen aan zie komen, werp ik er mij bijna bovenop, grits het pakje uit de man zijn handen, teken zelfs niet voor ontvangst en zet het op een lopen.

Het is een kleintje. Zoals de andere drie in mijn handtas.

A lie has no legs

mannen



Even de stad induiken voor de duisternis (en het gebrek aan sigaretten mij) invalt is een bijzondere ervaring.

Op enkele piepkoppeltjes na, die hand in hand nog de illusie koesteren dat zij onafscheidelijk zijn, zie je nauwelijks vrouwen op straat. Zij staan namelijk achter de kookpotten, massaal veel kookpotten, want er dient achtereenvolgens ruim voorzien te worden in wat de man lust, en in wat de zoon lust.
In veel mindere mate in wat de dochter lust en in helemaal geen mate in wat de vrouw lust.
En dit alles in minstens drie gangen.

De mannen zitten dan ook op de terrasjes inmiddels, je gaat het toch nooit in je hoofd halen een handje toe te steken. 

En zij discussiëren, hoe minder verstand zij van iets hebben, hoe luider het eraan toegaat en hoe verbetener zij liegen. En zij metselen een ongezonde hoeveelheid koffie, raki en nicotine naar binnen. Of spelen backgammon. Of schaken.

En hebben elke vrouw gezien die het twijfelachtige voorrecht geniet op dit uur niet voor een hongerige nederzetting te hoeven prakken. Of zonder sigaretten valt.

Zij kennen mij inmiddels wel, hebben blijkbaar ook in blijde dankbaarheid mijn niet-toerist-status en de onvermijdelijk daaraan verbonden wildste geruchten aanvaard.

Want Grieken zijn nu eenmaal leugenaars, het is geen kwalijke eigenschap, het is een vanzelfsprekendheid, een sport zeg maar.
It’s a lie, of course!” hoor ik ze fier en met een vette knipoog na zowat elke halsstarrige bewering zeggen.

Het wordt nog net ietsje kuttiger als ik, op weg naar huis, Roel met de kromme benen tegen het lijf loop. Jeweetwel, die man wiens hond ik hier twee weken heb vertroeteld toen hij naar België was afgereisd.
En waarvoor ik nog steeds op een bedankje wacht.

Wat heb ik gehoord?” fleemt hij.

Ik verwacht mij aan het ergste, want hij heeft bij de Jezuïeten schoolgelopen en heeft daar uiteraard een uitgesproken leugenachtig profiel aan overgehouden.
Wil ik eigenlijk wel horen wat hij heeft gehoord?

Wat dan, Roel?”

Je hebt hier een huis gekocht“.

Nou goed dat ik in Kreta een verbijsterende poise aan de dag weet te leggen en zelfs een emmer kakkerlakken in mijn keuken mij niet meer van mijn stuk brengt.

Want hij had dat vernomen van Yianni, die het wist van Kostas, die het had gehoord van Yiorgos, die Manolis had afgeluisterd (je kan hier niet met een dooie kat rondzwaaien zonder ene Yianni of ene Kostas te raken).

It’s a lie, of course. Lies, damned lies. Ik weet niet of ik Roel van het tegendeel heb kunnen overtuigen. Het zal mij ook worst wezen, met zijn twijfelachtig profiel kom ik hem later in de hemel sowieso niet tegen.

Good Ol’ Days

Your oldest friends are not necessarily your best friends. They just happen to be there first.

2010-2018 Herinnering aan een stukgelopen vriendschap.

Op de terugweg van de luchthaven, waar ik haar in een rolstoel heb neergeploft, niet omdat zij dat zo wil, maar omdat zij dan een voorrangsbehandeling krijgt tijdens haar vlucht naar Nederland, overloop ik in gedachten alle redenen waarom ik zo hoog oploop met, en zo dol ben op, mijn Grollandse vriendin.

Enkele jaren geleden zag ik haar voor het eerst, tijdens de Griekse les, waar wij beiden meteen doorhadden dat de vrijwillige leraar er niets van bakte en wij nog minder. Zij had als rolstoelpatiënte en in haar uppie  zowat half Europa afgereisd in een brommobiel, aangepast aan haar handicap, en landde uiteindelijk op Kreta, waar zij hoopte de progressie van haar ziekte te vertragen. Wat haar uiteindelijk ook lukte, met grenzeloze bewondering heb ik haar zien evolueren tot een vrolijk fuivend sirtaki-dansend fenomeen.

Wij bleven onafscheidelijk, ook toen zij zo’n 20 kilometer verderop naar haar opgeknapte cottage-aan-zee verhuisde en wij wekelijks halverwege voor een bakje koffie afspraken en de volgende dag ei zo na als vermist werden opgegeven. Nergens zal je op dit eiland nog zo’n stel veel te blonde, inordinately chaotic old bags aantreffen, beweert Grom, die onze uitgelaten attitude met lede ogen aanzag.

Waar wij echter compleet extatisch van werden, was het spreken en horen van onze eigen taal. Niks is bevrijdender dan je in je eigen taal eens goed los te laten, je eigen klanken te proeven, je enige ware stem te horen in een omgeving waar je je dagdagelijks met het Engels of het Grieks moet behelpen. Kolossaal grandioos.

De volgende week was zij er weer, bijgevuld met oerhollandse verhalen en hongerig naar haar stekje aan het strand. “Espresso met bougatsa, gekkerd?”

Tijd slaat wonden, een lelijke val, hospitalisatie en langdurige revalidatie eveneens. Goede vrienden waren er voor haar, maakten het haar naar de zin, zorgden ervoor dat het haar aan niets ontbrak. Haar verwachtingen waren echter zo stringent en hooggespannen, dat het zaad van teleurstelling begon te kiemen.

Het geluk was niet meer welkom.

Noch al haar vrienden. Een akelig kil en kort sms-bericht maakte het voor elk van ons pijnlijk duidelijk dat zij “ons” verhaal vergeten wou.

De Oppas

In haar eigen bed slaapt Ivona nooit. Want dat heeft zij niet.
Zij bezit enkel een nieuwe mountainbike, wat eenvoudige kledingsstukken en een lijvig Pools-Engels woordenboek.
En een meer dan behoorlijke portie lef.
Dat moet je haar nageven.

Je ontmoet haar dagelijks, al fietsend, haar bezittingen netjes in een rugzakje.
Niemand weet wanneer en hoe zij op mijn stukje eiland strandde.
Zij vertelt het ook niet zo gauw, haar vertrouwen is al even zoek als haar kennis van het Engels.

Ivona is een puur natuur Poolse midvijftiger, delicaatblonde haren, viooltjesogen.
Einzelgänger. Slank en taai. Onafhankelijk en vastberaden.

Zij is housesitter.
Telkens iemand van onze inwijkelingenkolonie voor een al dan niet langere poos naar zijn geboorteland trekt voor familiebezoek of een andere ingreep, wordt Ivona ingehuurd om tijdelijk in te wonen en het huis met de eventueel aanwezige katten, honden of tuin te onderhouden.


En dus hoeft zij geen eigen stekje, zij verhuist fietsend haar pezige lijf en schamele spulletjes van de ene woning naar de andere.

Ik ontmoette Ivona in het piepkleine huisje van een Engelse dame-met-stamboomkat.
Het eenkamerhuisje onderhouden was niet zo meteen de opdracht, zo bleek.
Er was trouwens geen onderhouden meer aan.
Alles, maar dan ook alles, was langsheen de muren opgestapeld in een kamerbrede wolk van stof en pluis.
Zij moest er enkel zorg voor dragen dat het de dure kat aan niets ontbrak en dat de lady het mormel bij haar terugkeer goed doorvoed, met glanzende pels en uiteraard niet met rigor mortis aan zou treffen.

Ik zocht een babysit.
Meer bepaald een deeltijdse oppas annex gezelschapsdame voor een zieke vriend.
Een klokrond oog moest in het zeil worden gehouden nu hij uit het ziekenhuis was.
Eigenzinnig en onverwoestbaar, verkoos hij zijn zuurstofslurfje en medicatie al eens te “vergeten”, alsook het feit dat hij echt te zwak was om al op eigen benen te staan.

Maar boodschappen moeten wel eens tussendoor gehaald worden, een terrasje en een frisse neus gepikt ook, een haarsnit en nieuwe jurk al evenzeer, dus daar zou Ivona zolang voor mij kunnen invallen.


Wij werden het gauw eens over de agenda en de voorwaarden, vrouwen lullen doorgaans niet lang over zulke banale dingen.

Het werd een fijne tijd.
Tot mijn vriend in staat was zich met een looprekje te verplaatsen, schonk trouwe Ivona mij de unieke kans enkele uren te ontsnappen.
De warme zee in, de ruwe natuur in, de herstellende vergetelheid in.

Ik toeter mij suf en zwaai mijn armen lam telkens ik haar voor mij uit zie fietsen.
Mijn Poolse zwerfkat, mijn dakloze lefgozer, mijn reddende engel.
Een godvergeten onvergetelijke vrouw.

Geachte,

Afwijkende Buurvrouw,

Hoewel u ongetwijfeld het bontkraagje onder mijn talrijke vreemdsoortige buren bent geweest, wilde ik gewoon uw naam niet weten.

U was voor mij de helft van het uitsluitend in hoge toonaarden briesend en alcoholabsorberend koppel, dat ab initio mijn slaap-waakritmiek grondig verstoorde.

Stond ik gisteren, toch decently dressed ondanks de uitzonderlijke temperaturen, mijn wagen in te soppen. Voor mijn doen, verre van een wekelijkse klus, maar als je abusievelijk vaststelt dat er toch wel een erg dichte mist hangt bij 30+graden, dan zijn je autoruiten aan een nat lapje toe, zeg ik maar.

Madame?” Erg vreemd, dat u mij zo aansprak in een contrei waar ik al jaren probeer de archaïsche aanspreektitels onder de knie te krijgen.

Daar stond u, een beetje wankel in het volle zonlicht, in een tenuetje waar, voor de gezette zeventiger die u toch bent, eerder een penitentiair verblijf zou aangewezen zijn. Combat boots, een minuscuul zwart shortje met knappende bil- en andere naden, en een al even klein vodje rond uw torso, waarbij u de hemel mocht danken dat de overvloedige lovertjes uw erogene zones wat bedekten.

U duwde meteen een grote ijsbox in mijn handen, gevuld met een dertigtal vissen. Vers gevangen, zei u, door vrienden, voor mij. Tot dusver heb ik u verstaan.

Uit mijn vertwijfelde blikken naar die dode oogjes, moet u – terecht – hebben afgeleid dat visjes in hapklare brokken opdelen niet zo’n favoriet tijdverdrijfje van me is.

Mijn excuses daarvoor, maar uit uw wilde gebaren en herhaalde klanken maakte ik echt op, dat u een schort zou gaan aantrekken en de visjes voor me zou komen schoonmaken.

Gerustgesteld bij dit vooruitzicht heb ik u uitvoerig waarderend bedankt. Echter, ik vrees nu dat ik u niet heb verstaan, want ik zag u niet terug.

Niettemin wou ik u terloops toch even melden, dat uw zoenoffer in zijn oervorm in de diepvriezer ligt opgeslagen. Vijftien zakjes.

Darling D.

(in a letter from July 15, 2009 to her very noisy neighbour)

Late Night Blues

De nacht was al diep ingevallen toen wij, na een gezellig etentje met vrienden, in de wagen stapten.

Grom aan het stuur, de man heeft al lang geen vertrouwen meer in mijn rijkunsten. De weg naar het dorp is door werkzaamheden afgesloten, wij moeten om langs een onverlicht slingerbaantje in de heuvels.

Ik hou van deze omweg, die ik liefkozend mijn “Romantische Straße” noem. Bij klaarlichte dag is het uitzicht er schitterend, het dorp in de diepte, je hoofd bijna in de wolken, de diepe rust van een eenzame weg, enkel omgeven door lange rijen ruisende olijfbomen.

Bij het zien van blauwe zwaailichten in de verte gaan wij even rechtop zitten. Staat daar zowaar politie in dit helledonkere niemandsland? Grom sist tussen zijn tanden.

“Stay in the car.”

Why?”

You’re pissed.

Ik ben diep verontwaardigd en klap dicht. Hoewel ik het nodige vocht tot mij heb genomen – hydrateren is een noodzaak voor oldtimers als ik –  en de raki trouwens stellig met water was aangelengd, voel ik mij zo fris als een zijdehoentje met volle wimpers en weet ik precies wie, wat, waar, waarom, wanneer en hoe.

De jonge agent stapt op ons toe, ik ben zwaar onder de indruk van de enorme revolver die onder de riem op zijn buik hangt, wetende hoe graag Kretenzers met wapens zwaaien als het hen even tegenzit.

Hij daarentegen is niet in het minst gehinderd door het feit dat geen van ons beiden zijn autogordel om heeft.

Good evening, Sir. Are you tourists?”

No Sir, we live here“.

You live here? In winter too?!?” Het gaat er bij Grieken moeilijk in, dat je het in je hoofd kan halen hier op vrijwillige basis te overwinteren.

Op zijn vraag duik ik in het handschoenenvak om het autodocumentenmapje boven te halen. Hierzo, het inschrijvingsbewijs. En hier het keuringsbewijs. Verder nog iets?

Your driver’s license, please“.

Grom rukt het mapje uit mijn handen, woelt als een bezetene in elk vakje, hoewel hij zeker weet dat zijn rijbewijs er niet in steekt.

I’m afraid I can’t find it, Sir“.

Flauw glimlachje rond de mondhoeken van de agent. Hij probeert verder.

Car insurance?” Grom friemelt opnieuw, peu nerveux nu. Het betalingsbewijs van de verzekering zit niet in het mapje.

Geen erg hoor, de agent haalt lachend, bijna samenzweerderig, zijn schouders op en zal even gauw een en ander op zijn boordcomputer checken.

Als hij terugkeert, is zijn opluchting welhaast groter dan de onze.

Inmiddels is de andere agent er ook komen bij staan en kwekken die drie er vrolijk op los, superamicale Grom het luidst. Ik vrees dat hij hun zo meteen gaat vragen om vriendjes te worden op Facebook.

De volgende ochtend, terwijl ik nog steeds boos volhard in mijn silent treatment, hoor ik Grom in zijn office driftig allerlei laden opentrekken en weer sluiten. Triomfantelijk haalt hij uiteindelijk zijn rijbewijs boven.

Het is net een maand geleden vervallen.

Mrs. Misiti

Erger nog dan zomaar een spijtig voorval – waarvoor wij ons oeverloos zouden verontschuldigen – is het in deze contreien een vanzelfsprekende wetmatigheid dat elk evenement minstens een uur later begint dan is vooropgesteld.

Een antiek koppel – zoals wij dan zijn -vindt het dus maar zaak en leert het niet af om reeds om 20:30 acte de présence te geven als een voorstelling om 21:30 begint. Of zou moeten beginnen.

Niet zo de Griek. Die duikt om 21:30 nog de douche in en stuurt alvast iemand vooruit om de nodige plaatsen voor de familie en aanverwanten voor te behouden.

Die iemand is dan bij voorkeur een vrouw van rijpere signatuur en/of omvang, bereid om haar leven of wat er nog van overblijft, op te offeren voor de niet minder dan 10 zitjes waar haar dierbaren hun hygiënisch frisse achterste zullen gaan parkeren.

Die iemand moet dan ook bij voorkeur enige ballast kunnen torsen, want de 10 zitjes worden middels handtassen, jassen, pulls, sjaals, brillen en flesjes water ten zeerste ontoegankelijk gemaakt voor de vermaledijde die ook op de voorste rijen wil gaan plaatsnemen.

Is dit alles nog niet voldoende, dan zijn een vlotte woordenstroom, een schril stemgeluid en wapperende handen en armen de middelen bij uitstek om veiligheidshalve helemaal achteraan uw toevlucht te zoeken.

Dit allesbehalve genoegen had ik dus toen zo’n Mrs. Misiti haar boze oog op mijn rij liet vallen. Haar ruime, propere familiekring terwille, schoof ik zelfs twee stoelen op en nam voor lief haar encombrant jojogedrag telkens zij een insijpelende bekende opmerkte en in haar liefhebbende armen sloot.

Met telkens een lichaamsdeel van mij erbij. Soit.

Dit alles in een openluchttheater dus. Ik bedoel, openluchtiger kon het geheel niet zijn. Stel je het plaatje voor. Buitenlucht, bomen, avondbries, zuurstof… en een massa Grieken die het roken hebben opgegeven om bezuinigingsgerelateerde redenen.

Ik niet. Anderhalf uur wachten, zonder sigaret, het is mij teveel gevraagd.

Ik waag mij aan eentje, want in de buitenlucht. Blaas de rook richting Grom, want die verbaast zich daar niet meer over.

En heb de toorn van Mrs. Misiti over mij gehaald. Een Grieks drama uit de eerste hand.

Met veel om- en verhaal is zij vier stoelen verder gaan zitten en haar blikken vol weerzin hebben mij de ganse avond gezelschap gehouden.

Gerookt heb ik niet meer. Mij enkel de bedenking gemaakt dat ik mij een volgende keer mijlenver uit haar Kretenzisch gezichtsveld zal houden.

Hoe zit het met je libido?

Aan de kathedraal hadden zij afgesproken, een voor de hand liggende locatie.

De man had immers net, en wel op gevorderde leeftijd, een cursus toeristische gids achter de kiezen. Met onderscheiding. En met evenveel voldoening, eindelijk, voor het eerst, na een introverte carrière in de plaatselijke bibliotheek. Een semi actieve loopbaan die al even geruisloos in zijn oppensioenstelling was gevloeid.


Hij was terecht fier op zijn prestatie. Geen twee op elkaar liggende slijkstenen uit de vroege of late Middeleeuwen, of hij kon er een heus verhaal om bouwen.


Ik zal je niet meer bellen” had hij gewaarschuwd. “Ik heb een vast toestel, en bellen naar een mobieltje is héél duur“.
Hij was West-Vlaming. En vrijgezel.


Om 14 uur zal ik er zijn. Ik breng een paraplu mee” had hij er accentloos aan toegevoegd.


Er stond een novembergure wind en het regende. Zij had haar nepbontjas aangetrokken, een tikkeltje vroeg  op het jaar, toegegeven, maar zij vond het zo BCBG staan.
Hij mocht vooral niet denken dat zij er zo eentje was dat enkel op zijn geld uit was.
Mannen worden op datingsites zo vaak opgelicht.


Zij bad kwiek doorstappend dat haar pas geföhnt kapsel in model zou blijven en waaide zowat naar hem toe. Wat bleekjes zag hij eruit, in zijn witrode ruitjeshemd met open kraag en kort vaalbruin JBC-blousonnetje. Zij greep spontaan de beide ritsen van zijn jasje. “Heb je het niet koud?” vroeg zij moederlijk. Hij was aangenaam verrast.


Het kon slechter, dacht ze, toen hij haar volgde op weg naar de afgesproken degustatieplaats. Bezorgd keek zij geregeld om.
Gefascineerd en hevig geëmotioneerd beschreef hij haar de gevels waarover hij zoveel had gelezen. Zij luisterde niet.
Hij heeft een zacht en teder gezicht, stelde zij zichzelf gerust. Lengte en figuur zitten ook wel snor. Iemand waarmee je je op straat kon vertonen.


Toen ze bij de Markt arriveerden, had het opgehouden met regenen. Er was weinig volk op de terrasjes; door een uitzonderlijk natte zomer hadden de middenstanders het massaal opgegeven hun afgeschreven terrasmeubeltjes nog ruim voor de winter binnen te halen.


Aan het meest troosteloze, lege terrasje, haalde hij haar in.
Hier gaan wij een koffie drinken“stelde hij voor. Zij vond het maar niks en ging op het natte ongemakkelijke stoeltje zitten.
Toen de koffies uiteindelijk door de onvriendelijke serveerster op het tafeltje werden geschoven,  hadden zij reeds wederzijds gegevens  over hun burgerlijke stand uitgewisseld.


Hij was nooit getrouwd geweest, hij had zijn Grote Liefde de rug toegekeerd toen hij besloot alsnog hogere studies aan te vatten. Daar had hij spijt van.
Een korte relatie achteraf had nauwelijks vier maanden geduurd.


Zij beperkte haar huwelijken veiligheidshalve tot één. Want daar had zij geen spijt van.


Hoe zit het met je libido“?
De vraag kaatste af op het kopje dat zij net naar haar mond bracht. Het bracht haar danig van haar stuk. Achteloos maakte zij de bovenste knopen van haar faux fur mantel los en schoof haar stoeltje wat dichter bij het zijne,  in een poging hem met haar blauwe blik gerust te stellen.


Hij was gerustgesteld en bestelde zich overmoedig een Leffe. “En voor haar nog een koffie” voegde hij ongevraagd aan zijn bestelling toe.


Het gevaar was geweken, het gesprek kabbelde voort.
Of hij haar al had verteld dat hij een cursus toeristische gids met onderscheiding had afgemaakt? Niet te onderschatten, het had hem moeite en tijd gekost. Maar daartegenover stond, dat hij thuis de verwarming uit kon zetten als hij naar de les was. En het bracht nog een centje op, dat gidsen, dat mocht nu, weet je, je mag bijverdienen als je op pensioen bent.


“Ik heb geen elitewagen, hoor”, vervolgde hij, na een sluikse blik op de pels.
“Een Nissan, sterk wagentje. Na de dood van mijn mamaatje gekocht. In 1993 was dat”.
“Maar je hebt wel een elitefiets” probeerde zij. Zij herinnerde zich zijn bericht over de hybride stadsfiets die hij zich onlangs had veroorloofd. Een Norta of zoiets?
Hij schaterde het uit.

Wat ben jij adrem, zeg“.”Ja hoor. Een noodzaak in een verkeerszwangere stad. Doe ik ook mijn boodschappen mee. Dat jij dat nog weet, zeg. Maar het was een dure aankoop, weet je“?


Zij wist dat. Alles wat hij vertelde, wist zij. En zij vroeg zich af, hoe laat het nu zou zijn.
Om halfvier veerde hij recht. Zijn glas was leeg, haar koffie koud.
Ik ga de rekening vragen. Wij delen dit toch he?
Verbluft, totaal ongelovig moet zij gekeken hebben.”Ja toch?”


Zij griste haar portemonnee uit haar handtas en legde die goed zichtbaar op het tafeltje. Hij schrok van haar haast en probeerde die met zijn elleboog terug in haar handtas te schuiven.”Wacht, wàcht even tot het meisje is langsgekomen“.

Zij wou hier niets van horen.
8,20 euro stond op het ticket dat hij aandachtig bestudeerde. Zij legde een 5 eurobiljet op het tafeltje en stond onmiddellijk op. Wààg het vooral niet me wat koperstukjes terug te geven, dacht zij. Hij maakte daar geen aanstalten toe.


Toen zij haar stoeltje netjes onder de tafel wilde schuiven, raakte haar hand ongewild de zijne aan. Hij verstijfde en keek haar ontzet aan. Zijn zacht en teder gezicht liep bloedrood aan. Hij deinsde verschrikt een pas achteruit en schudde verwoed met zijn hand, alsof er net een kom hete soep was overgegaan. Hij stamelde. “Dit is nog te vroeg” piepte hij.


Zou zij nu onbedaarlijk lachen? Zij lachte niet, leek onbewogen, maar keek hem vol medelijden aan. Hoe zit het met jouw libido? welde in haar op.
Zij begreep het ineens. Zij begreep zeer veel, zij het dan meestal iets te laat.


Ik ben met de trein gekomen” haastte hij zich te zeggen.”Ze durven enorm veel geld vragen voor de parkeergarages hier“. Zij knoopte haar nepjas volledig dicht, zweefde langsheen de tafeltjes en keek niet meer om.


Een week later liep een berichtje binnen. Hij had de kennismaking zo prettig gevonden. Een mooie verschijning was zij, dat moest hij haar nageven. Maar had iemand leren kennen uit zijn streek, dit wou hij een kans geven. En sorry, hij wou eerder bellen, maar bellen naar een mobieltje is zo duur. En al helemaal vanaf een vast toestel.


Zij was opgelucht.

 

Geachte,

Zuster Bel Canto,

Ik heb altijd naar u opgekeken. Niet zozeer omdat u toevallig de eerste non was, die ik zag toen ik in de nieuwe school aankwam, maar omdat u zo ontzettend lang was. Met een laagjeshabijt, dat zelfs uw enkels niet durfde te raken en een kap, die altijd scheef kwam te zitten omdat u van die nerveuze, meterslange stappen nam, vond ik u een hoog vogelverschrikkers-gehalte hebben.

Met de opdracht in het achterhoofd, de nieuwe lading wichten in deugd en wijsheid te laten groeien, gaf u muziekonderricht. Daar uw obsessie voor zang amper met wederkerige emoties werd beantwoord, had u zich met volle gewicht op de instrumenten gegooid. Uw orgel, met name.

Al tijdens de eerste les troonde u ons breedstaps naar uw beacon of hope, een antiek zeventiende-eeuws orgel dat u, hevig aangegrepen, zacht met beide handen streelde. En, omdat gedeelde vreugde, dubbele vreugde is, mochten wij ook even om het kostbare kleinood heen wandelen.

Het is niet elke puber gegeven, een Worcester Grainger & Lee-schotel van een Ikea-onderzetter te onderscheiden, maar enig onderzoekend vermogen mocht u mij toch toedichten, toen ik een snoer aan uw orgel zag hangen en – totaal onschuldig ? – vroeg of er in de 17de eeuw al elektriciteit voorhanden was.

Van een polsstok als u had ik daarentegen wel enige souplesse verwacht. Maar ik hoorde – diep geschrokken – de meest onchristelijke verwensingen en zag tot mijn verbazing, dat uw mondhoeken zich met schuim vulden.

Waarop u mij woedend de toegang tot uw muzieklokaal verbood, voor de rest van het schooljaar.

Ik mag hopen, dat u in het hiernamaals een toontje lager zingt.

Darling D.

(in a letter from September 26, 2015 to her late music teacher)

Bloggen Bij De Buren

In tijden waarin je een virus en mensen van je weg moet zien te houden, wordt plots je wereld heel wat kleiner.

Satur9’s World vond er echter wat op. Als de wereld voorlopig niet tot jou komt, dan breng je toch gewoon jouw wereld – jouw woonplaats – onder de aandacht. Zij zette de deur wijdopen voor haar blogburen, die een beeld wilden ophangen van hun honk.

En met succes! Gastbloggers kwamen uit hun isolerende schelp gekropen en gaven een stukje van de grond onder hun voeten bloot.

Ook ik gunde hen een blik in de warme glans van een verdoken, maar schitterend kleinood in de Kretenzische bergen.

https://www.zonderdank.be/saturnein/2020/06/09/gastblog-lustig-en-rustig-leven-in-het-donker/

Betoverende Buurjongen

“I like discussions with youngsters.  It reminds me of the fact
that I didn’t know it either in the past” (Jonckheere).


@Roussa Ekklisia, 2008

Griekse god en ik wonen onder hetzelfde dak.  Zo kan je dat in feite wel stellen.

Wij delen namelijk het huurgenot van een plat dak, een tussenmuur in het midden, een 40-tredentrap langsheen mijn woongedeelte, een veranda en een tuin.
Wij zijn buren dus.  Ik haast mij dit te verduidelijken.

Mijn buurjongen en ik palen aan elkaar met oneindig veel momenten van samenhang en samenspraak. “Buurjongen” is in zijn geval een wel heel gruwelijk understatement.
Hij is een droom.  Droom het en hij heeft het.
Hij is nog met de hand gemaakt. Fijngesculpteerde zachte trekken, de prachtigste ogen waar ik na een ter zake toch wel gedegen expertise ooit mocht in verzinken, een lichaam als een kathedraal.

“John” is zijn naam.  Een beetje trendy Yianni laat zich graag John noemen en zo heeft hij zich ook hoffelijk voorgesteld toen wij voor het eerst op ons fifty-fifty terras tegen elkaar opbotsten.
John is dertiger en runt in de city een glas- en kaderbedrijfje met glaskunstgalerie. Wat hem als jongeman op mijn eiland en in mijn verknochte ogen eveneens zo uitzonderlijk maakt is zijn werklust, zijn bonhomie en zijn beschouwende kijk op het leven.

Niet alleen heeft hij zich succesvol van de possessieve adoratie die Griekse moeders onlosmakelijk voor hun zonen koesteren kunnen loskoppelen, hij heeft ook meerdere stappen buiten zijn eilandsgrenzen gezet, wat hem een zeldzame open mind en Engelse woordenschat heeft opgeleverd.

Onze voordeur is hét signaal.  Zonder woorden hebben wij dit begrepen.  Als die gesloten is, leiden wij elk ons eigen beschermde leventje. Staat die open, dan zijn wij volop susceptibel voor alle vormen van gesprek, voedsel en drank op ons uitnodigend terras.

Het is zo stilzwijgend vanzelfsprekend. John maakt koffie zoals ik die het liefste heb. John schuift twee gemakkelijke zeteltjes, een volwassen fles tsipoura en een kingsize asbak bij het terrastafeltje. John heeft een snelle hap voor twee mee. John sleept een paar vrolijke vrienden en geheime bewonderaarsters aan. John tovert melancholische noten uit zijn bouzouki.

John neemt de tuinslang uit mijn handen en maakt ’s avonds de sproeikarwei af.
Eindeloos.

Net als de gesprekken die wij voeren eens de krekels uitgekraakt zijn, eens de druppels op de rozen verdampt zijn en de gitzwarte nacht gevallen is.
Eens wij de rollende zee in de diepte en de straatcultuur in de stad door honderden uitbundige lichtjes en door de wind aangevoerde muziekflardjes nog slechts vermoeden kunnen.
Ach. John, het godenkind. Ik mis hem.

Het Bedrog

(Deze blog verscheen reeds eerder. Ik herhaal deze ter nagedachtenis aan mijn inmiddels overleden vrienden Don en Roland, die erin slaagden van hun laatste levensjaren de gelukkigste te maken)

Wat een spuuglelijke slodder” zei ik in de wagen, nadat ik haar voor het eerst had ontmoet op de parking van het grootwarenhuis. “Erg he?” antwoordde mijn buurman, met wie ik samen Lidl-de. Hier hield het ook op voor hem. Hij was te zen en te correct om hier nog iets aan toe te voegen.

Men kan mij bezwaarlijk een rolmodel noemen als het erom gaat de verdediging van de mannelijke species op te nemen. Maar als een intrigant en manipulatief pokkenwijf echter deze mensensoort op een bijna misdadige, laaghartige en perfide manier oplicht, bedriegt, besteelt en bewust misleidt, dan storm ik er met vlammend zwaard op af.

In een vorig leven was genoemde slodder lerares, veel te voortijdig en oneervol op pensioen gedwongen. Overleven kon zij met dit karig inkomen niet, dus nam zij jaren geleden fluks de wijk naar dit eiland. Verwierf er slinks in de bergen, ver van de bewoonde wereld, een bouwvallige schapenstal, die inmiddels tot een erg leuke woning met een paar gastenverblijven is verbouwd.

Haar tactiek is even duivels als eenvoudig. Via internetdating benadert zij behoedzaam en heel systematisch haar doelgroep : de kwetsbare prooien. Makkelijk zat. Alleenstaande oudere mannen, min of meer goed in de slappe was. Bij voorkeur weduwnaars met als het even kan een eigen dak boven het hoofd en geen kinderen meer onder dit dak. De dagelijkse aanvoer op internet is verzekerd. Allemaal even eenzaam, depressief, doelloos, beïnvloedbaar, naïef.

Eens de tegenpartij lekker, laat zij zich een weekje uitnodigen. Vliegtuigtickets, logies, verblijf, amusement, vooral veel geschenken, alles op kosten van de hoopvolle alleenstaande. Blijft bij deze (vooral) de hoop nog overeind staan, dan is een tegenbezoekje uiteraard welgekomen. En dat treft. Op dit prachtige eiland is zij immers net een gastenhuisje aan het bijbouwen. Of haar tuin aan het heraanleggen. Of nieuwe riolering aan het graven. Of olijven aan het plukken. Noem maar wat.

Als geen ander verstaat zij de kunst haar welbespraaktheid en mentaal overwicht op haar zwakke slachtoffers te misbruiken. Slechts 1 misselijke drijfveer jaagt haar elke ochtend uit bed en houdt haar staande en gaande : geld.

De overgelukkige uitverkoren alleenstaande wordt vol verwachting aan het vliegveld opgehaald, meteen – tegen betaling – in het gastenverblijf ondergebracht en – onbetaald – aan het zware werk gezet. Meer nog, Slodder perst hem even tussendoor het nodige gereedschap ook nog af. Samen uit eten, samen iets drinken en verder in het zweet labeurend van zijn “zonnige vakantie” genieten : meer waar krijgt (of wenst) hij voor zijn geld niet (meer).

Platgewalst en met de lippen stijf op elkaar keert zo’n zielenpoot dan naar huis terug, diep ontgoocheld, eindeloos beschaamd omdat hij zich door een vrouw liet rollen.

Sommigen keren echter niet onmiddellijk terug. Besluiten zelfs te blijven, Zij die op het eerste gezicht en hopeloos op het paradijs verliefd zijn geworden. Zij die een ongekunsteld leven ontdekken, een nieuw doel en bestaansreden hopen te vinden. Zij die niets meer willen inhalen, maar in hun laatste levensfase voor zichzelf nog eens alles nieuw willen maken. No questions. Sunshine. Solitude. Silence. Sleep.

Ik ken hun verhaal. Een stuk voor stuk pijnlijk lang en wraakroepend getuigenis van de mannen die voor het praktisch realiseren van hun nieuwe droom niet om haar heen konden.

Zij heeft het geweten. Drie memorabele, woeste ontmoetingen met dit boertig vipeer heb ik ervoor over gehad. Haar lieflijke stulp staat nu te koop. Good riddance.

De autoverhuurder

Wie zich in een van de getekende personages herkent,
beschikt over meer fantasie dan de auteur (Adriaan van Dis)…




“Manoli, sweetheart? So sorry to disturb you, but this time the car is DEAD!”

Als zij in de shit zit en bijgevolg enige mannelijke interventie onvermijdelijk is, noemt zij de andere helft aan de lijn steevast “sweetheart“. En zet zij haar stemgeluid op “hulpeloos”.

Wrong time, dat wist zij. Op dit eiland wordt er tussen 2 en 5 gesiëst. En aanverwante horizontale activiteiten beoefend.

Dat zij haar sweetheart autoverhuurder hierbij wel degelijk had gestoord,
werd duidelijk toen hij in hoge mate geïrriteerd uitvloog.

What do you mean, DEAD? The car is not dead. NOT dead, d’you hear me?
Nothing wrong with this car. It’s the battery again.
You left the radio or the airco on, all night, I’m sure.
Just like you did last time”.


Hij had gelijk, wat de both times betreft. Maar zelfs met het hoofd op een hakblok zou zij dat niet toegeven.
Hij vond haar immers een Power Lady en een dergelijke reputatie verdien je niet zomaar.

Bij het eerste alarmerende batterijfalen, nauwelijks een week ervoor,
was Manolis na 20 minuten al ter plaatse.
Koud kunstje, zo bleek.
Want “bergaf, in tweede gooien en starten”.

Zij had goed geluisterd hoe het moest.
Deze keer besloot zij dan ook de klus in haar eentje te klaren.

En ging zij wel bergaf, in tweede, maar the car startte NIET.
En stopte dus ook NIET.

In ideale omstandigheden, zoals daar zijn klaarlichte dag,
hevige zonneschijn en geen tegenliggers, lukte het haar de berg, haarspeldbochten incluis, in 13 minuten af te bollen.

Toen de wagen beneden uiteindelijk stilviel, had zij haar record in de vernieling gereden. Haar zenuwen en haar hartritme eveneens, trouwens.

Alle incompatibilité des humeurs ten spijt, drong enige startkabelhulp zich dus op.
Nog steeds foeterend en stevig uit zijn hum, laadde Manolis de batterij op.

Zij hield, met bibberende knieën, nog steeds vol dat het falen ditmaal eigenlijk “not only the battery” was geweest, “you know Manoli ?”
En zoende hem achter zijn oor teneinde haar vermoedens kracht bij te zetten. Zijn gezicht en boosheid trokken witjes weg, het ongeleid projectiel kreunde bijna van spijt.
“I’m so sorry, milady, this has been a hell of a day, you know”.

De autoradio heeft hij voor alle zekerheid uit zijn huurkar gehaald.
Geen erg, vond zij. Radio2 kon zij er toch niet op beluisteren.

En de parkeerbonnen, die zij, netjes op datum geklasseerd, in het handschoenenvakje had achtergelaten, zou zij overigens ook niet betalen.

Geachte,


Hoi, Violet!

Zo, daar ga je. Totaal onverwacht, je was hier pas twee maal. Twee dagen, waarop je te laat aankwam en te vroeg vertrok trouwens.

Jouw blik vol medelijden, toen je mij ten afscheid je slappe handje toestak, de andere hand worstelend met jouw voorhistorische stofzuiger – want de onze vond je een shitty geluid produceren – was echt geen troostlap voor mijn diepe ontgoocheling, mocht je dat denken. Ik zie zo’n blik wel vaker.

Ik toonde nochtans veel begrip voor je, toen je zei dat je zeker geen stof zou afnemen, want dat haatte je. Er zijn in dit huis slechts een drietal honderden spullen af te stoffen, Violet.

Ramen lappen haatte je eveneens, want je was klein van stuk en durfde de ladder niet op. Dat deed ik dan voor je. Net zoals ik ook de bad- en slaapkamervloer dweilde, want je vond de natte tegels te glibberig zonder je rubberen boots, die je telkens vergat.

Het zomerterras natspuiten, dat deed je dan weer heel grondig en nauwgezet, dat moet ik je nageven. Ook al trok je daar anderhalf uur voor uit. Dat je zodoende onze jonge palmbomen ook verzopen hebt, neem ik je niet eens kwalijk.

Dat ik je voor je professionele, doch uiterst beperkte, hulp een dubbel uurloon uitbetaalde, nam Grom mij dan wel kwalijk.

Ik leg de schuld voor je plotse aftocht dan ook bij hem en wens je een aangenamere, nieuwe werkkring toe.

Darling D.

(in a letter from June 8, 2017 to her cleaning lady)