Uit het oog

010

Van alle hemelse zegeningen, die in de loop der jaren en in beperkte mate over mijn hoofd zijn uitgestort, is zoiets als een normale gezichtssterkte bedroevend achterwege gebleven. Het is bijna zo ver gekomen, dat ik, om iemand te herkennen binnen een straal van drie meter, op zijn lichaamsgeur dien af te gaan. In elk geval is er voldoende reden voor de Boss om mij a walking disaster te vinden.

Al jaren delen wij dezelfde ruime werktafel in the office. Hij aan een kant, verscholen achter zijn 30 inch screen, luisterend naar zijn   lievelingsmuziek en met een scheef oog de BBC-uitzendingen volgend op een ander scherm. Verder ligt er niks. Niks. Face to face zit ik dan aan de andere kant, in wat hij zeer ten onrechte omschrijft als this terrible mess, een dagelijkse aanslag op zijn compulsieve aard. En laat ik dan, to cap it all, net deze week, duidelijk hoorbaar, knabbelen op die bikkelharde koulourakia, die ik overigens niet eens lust. “I would really like you to move upstairs, Babette, I can’t stand this anymore”.

Dat liet ik mij geen twee keer zeggen. En kijk nu toch eens hoe vreedzaam mijn nieuwe uitzicht is geworden, hoe uitnodigend die stille heuvel aan de overkant. Elke verandering, elke beweging valt me op. De kerel die zijn bijenkorven verplaatst, de man die zijn hond uitlaat, de herder met zijn bonte kudde, het groepje jagers, de zeldzame jeep met stofwolken in zijn zog, ik zie het allemaal. Eigenlijk is het met mijn ogen nog niet zo erg gesteld.