Categorie: Not Just A Weirdo

I will sing for you now

“Laten we zolang mogelijk zingen onderweg,
de weg wordt er minder eentonig door” (Vergilius).

Op de terugweg van Heraklion naar Sitia,
ter hoogte van het dorp Skopi,
ligt een oude man naast de baan, zijn hoofd op een
goedgevulde groot formaat boodschappentas.
Je denkt meteen, daar is iets gebeurd.
Hoewel, er gebeurt nooit iets in Skopi.

Het dorpje heeft een wat kwalijke reputatie,
de inwoners worden smalend “de Schotten” genoemd.
Daar moeten zich van oudsher
zuinige krenterigaards op een hoopje
gegooid en vermenigvuldigd hebben,
heb ik begrepen.

Voor ik goed en wel op mijn rem ga staan,
veert de man recht en rukt het portier open.
“Sitia?” vraagt hij onvast.
Overbodige vraag, verder dan Sitia
leidt deze weg dus niet.

Het duurt wel even voor ik de entertainment- en
voedselpakketten, die ik op zo’n trip steevast
naast me heb liggen, op de achterbank heb gekeild.

Hij neemt plaats, een wolk van ongewassen
onfrisheid en rakidampen slaat in mijn gezicht.

Ik draai mijn raampje nu volledig open
en vertrouw verder op de goede werking
van de Ocean Breeze Car ontgeurder.

“Souedia? Ollandia?” vraagt hij.
Steeds hetzelfde liedje.
Alsof er in Velgio geen blonde
vrouwspersonen rondlopen.

Hij voelt zich duidelijk op z’n gemak,
meer dan ik althans.
Kijkt naar de achterbank en vraagt
of ik die appel vandaag nog wou opeten.

Neemt een paar flinke happen, kijkt nog eens achterom.
“Do you like music?”
“Of course I do”, antwoord ik naar waarheid,
moeilijk er onderuit te komen met de vele cd’s
op de achterbank.

“I’m a singer.”
Opgezwollen fierheid. Onverholen lach in zijn ogen.
Verwacht mijn ongeveinsde verrassing.

“Oh, are you?”

Het startsein is gegeven. Geen houden aan.
Plaatsen, data, gelegenheden.
Heimwee en vergane glorie.

De appel is op, hij veegt zijn mond aan zijn mouw af.
“My name is Ignatios. I will sing for you now.”

Tot ik Ignatios in het centrum van de stad uit de wagen laat,

Afbeelding

heeft hij ononderbroken gezongen.
Soms krakerig, soms neuriënd omdat hij zich
de woorden niet meer kon herinneren.
Maar met een blijheid en een overgave
die me toch wat onthutst achterlaat.

“At Christmas, or when you have company,
I will come to your house and sing for you,
call me!” voegt hij er tot afscheid nog aan toe.

Ik heb zijn telefoonnummer niet gevraagd.

De Zonderling

Afbeelding

Heb je toevallig zo’n dagje waarop je
sterk sociaal afwijkend gedrag vertoont
en elk levend projectiel het liefst
een muilpeer zou verkopen,
dan blijf je best weg uit de Sparwinkel
van Sitia.

Deze zaak is immers hét meeting point
van de inwijkelingen.
Het is dan ook de enige zaak die onze
verwende allures tegemoet komt :
ruim assortiment, pittige prijzen en alhier
toch unieke van 8 tot 8 openingstijden.

Heb je een bekkie waar genetisch
geen Griekse klanken uit rollen,
dan is er geen ontkomen aan.

Je start met een proviandlijstje waar je
een halfuurtje voor hebt uitgetrokken,
en je eindigt op een terrasje waar je
na drie uren nog steeds pompend rondhangt.

Sean is de enige man
die aan deze vorm van sociale controle
weet te ontsnappen.

Elke morgen staat hij als eerste
aan de toegangsdeur.

Een zonderling is hij.
Zijn grijze baard reikt tot zijn navel,
zijn uitdunnende haren in een vlecht
tot halfweg zijn rug.
Steevast met de fiets, een uitgerafelde jeans
tot boven zijn knieën en een witte singlet.
Zijn verweerde huid is zo diep bruingebrand,
dat het lijkt alsof hij uit de tropen komt.

Knikken hoef je naar hem niet te doen,
hij ziet je niet.
Over zijn troebele ogen hangt een draperie
van jarenlang intens, oeverloos verdriet.

Op je “Hi, Sean!” antwoordt hij niet.
Elk woord is in eenzaamheid verstomd.

Het was ooit anders.

Sean is een op en top Brit.
Een man in bonis, hij bouwde voor zijn
gezinnetje het grootste witmarmeren paleis
dat je hier in het Oosten aan kan treffen.
Loyaal omgeven door een staf personeel,
brachten zij er talloze verdiende en
overgelukkige vakanties door.
Samen met zijn vrouw verheugde hij zich reeds
op het einde van hun te actieve loopbaan
en het begin van hun passief oudedaggenieten.

Tot zij die vreselijke winterse vooravond
haar moeder voor het familiekerstfeest ophaalde,
haar wagen over het onverwachte sneeuwtapijt
heenslingerde en beiden tegen een boom
uit het leven weggleden.
Hoewel nauwelijks vijftig, maakte Sean ook
een einde aan zijn leven, zijn Britse leven.
Sean verkocht al zijn bedrijven,
voorzag hun inmiddels volwassen zoon in een ruim
levensonderhoud, en vluchtte.

De oude huishoudster behield hij, de chauffeur,
de tuinman, de schoonmaaksters gingen eruit.
En al zijn vrienden.

Hij praatte nooit meer.
Hij sloot zich op met zijn boeken en zijn muziek.
Hij sloot zich af met zijn gewroet in zijn park
en zijn olijfgaarden.

Naar het jaarlijks bezoek van zijn zoon echter
keek hij telkens weer reikhalzend uit,
in de trekken van zijn twee kleindochtertjes
vond hij die van zijn vrouw steeds scherper terug.

Hij belde rond de middag.

“Hoi Pap, wij zijn net met de ferry aangekomen,
maar onze wagen is zopas achteraan geramd.
Maar geen erg hoor, iedereen fel geschrokken,
maar ongedeerd. Niks onherstelbaars.
Wij zijn er over een kwartiertje, pap”.

De volgende ochtend werd zijn zoon niet meer wakker.

De volgende jaren kwamen ook zijn kleindochtertjes
niet meer op bezoek.

Sean’s ongehuwde zus, mijn lieve vriendin Stella,
heeft toen haar kingdom verlaten om in haar broer’s
nabijheid te blijven.

Ook Sean wordt een dagje ouder.
En een ongeluk is gauw gebeurd.

De Oppas

 

Afbeelding

 

In haar eigen bed slaapt Ivona nooit.
Want dat heeft zij niet.
Zij bezit enkel een nieuwe mountainbike,
wat eenvoudige kledingsstukken
en een lijvig Pools-Engels woordenboek.
En een meer dan behoorlijke portie lef.
Dat moet je haar nageven.

Je ontmoet haar dagelijks, al fietsend,
haar bezittingen netjes in een rugzakje.
Niemand weet wanneer en hoe
zij op mijn stukje eiland strandde.
Zij vertelt het ook niet zo gauw,
haar vertrouwen is al even zoek
als haar kennis van het Engels.

Ivona is een puur natuur Poolse midvijftiger,
delicaatblonde haren, viooltjesogen.
Einzelgänger. Slank en taai.
Onafhankelijk en vastberaden.

Zij is housesitter.
Telkens iemand van onze inwijkelingenkolonie
voor een al dan niet langere poos
naar zijn geboorteland trekt
voor familiebezoek of een andere ingreep,
wordt Ivona ingehuurd om tijdelijk in te wonen
en het huis met de eventueel aanwezige katten,
honden of tuin te onderhouden.
En dus hoeft zij geen eigen stekje,
zij verhuist fietsend haar pezige lijf
en schamele spulletjes
van de ene woning naar de andere.

Ik ontmoette Ivona in het piepkleine huisje
van een Engelse dame-met-stamboomkat.
Het eenkamerhuisje onderhouden was niet
zo meteen de opdracht, zo bleek.
Er was trouwens geen onderhouden meer aan.
Alles, maar dan ook alles, was langsheen de muren
opgestapeld in een kamerbrede wolk
van stof en pluis.
Zij moest er enkel zorg voor dragen
dat het de dure kat aan niets ontbrak
en dat de lady het mormel bij haar terugkeer
goed doorvoed, met glanzende pels
en uiteraard niet met rigor mortis
aan zou treffen.

Ik zocht een babysit.
Meer bepaald een deeltijdse oppas annex
gezelschapsdame voor een zieke vriend.
Een klokrond oog moest in het zeil worden
gehouden nu hij uit het ziekenhuis was.
Eigenzinnig en onverwoestbaar, verkoos hij
zijn zuurstofslurfje en medicatie al eens te
“vergeten”, idem het feit dat hij echt
te zwak was om al op eigen benen te staan.

Maar boodschappen moeten wel eens tussendoor
gehaald worden, een terrasje en een frisse
neus gepikt ook en een haarsnit en nieuwe
jurk al evenzeer, dus daar zou Ivona zolang
voor mij kunnen invallen.
Wij werden het gauw eens over de agenda
en de voorwaarden, vrouwen lullen doorgaans
niet lang over zulke banale dingen.

Het werd een fijne tijd.
Tot mijn vriend in staat was zich met een
looprekje te verplaatsen, schonk trouwe Ivona
mij de unieke kans enkele uren te ontsnappen.
De warme zee in, de ruwe natuur in,
de herstellende vergetelheid in.

Ik toeter mij suf en zwaai mijn armen lam
telkens ik haar voor mij uit zie fietsen.
Mijn Poolse zwerfkat, mijn dakloze lefgozer,
mijn reddende engel.
Een godvergeten onvergetelijke vrouw.

 

Herr Doktor

Reeds twee opeenvolgende avonden

sloeg hij haar stilletjes,

maar heel nauwlettend gade.

Dat niet alleen, ook de all inclusive tequila sloeg hij,

maximal ontspannen aan de hotelbar,

mit Mass aber regelmässig achterover.

Zonder zijn blik van haar af te wenden,

wisselde hij met tussenpozen enkele woorden

met zijn Herr vriend, die geen tequila lustte,

maar des te meer het happy single

loslopend vrouwenwild dat zo’n five star resort

doorgaans al vanaf maart pleegt te bevolken.

Het is niet anders, een surplus aan vrije tijd,

aan gezondheid en aan geld brengt mensen ertoe

dingen te gaan doen die zij leuk vinden.

Zij verleggen hun grenzen, niet enkel de geografische.

Iets gevaarlijker, iets scherper op de snee.

Het was haar uiteraard niet ontgaan.

Het ontbreken van elke vorm van Frau in zijn buurt,

was het laatste zetje om dan ook een ondeugend knipoogje

zijn richting uit te sturen.

Herr Doktor stelde zichzelf uiterst hoffelijk

en bescheiden aan haar voor, een zachte stem, zachte ogen,

zachtheid all over.

Vleesgeworden charme, finesse, réserve en politesse avant-la-lettre.

Ja, zij wou graag even op het krukje naast hem plaatsnemen,

zelfs even zo’n tequila met hem proeven.

“Du lächst immer”, verbaasde hij zich.

En herhaalde het.

En luisterde elke avond weer geamuseerd

naar haar belevenissen van die dag,

verbeterde minzaam haar verkeerde vervoegingen en verbuigingen,

overtuigde haar ervan dat zij niet allemaal

richtige Schweinhunde waren.

Schetste die Geschichte historisch, kulturell, politisch

en zweeg pünktlich over hetgeen haar niet interesseerde.

Een zonnige week lang keken zij uit

naar het ontbijtbuffet en naar de guest bar,

die zij besloten voortaan samen alle eer aan te doen.

Haar dauernde opgewektheid dreef Herr Doktor erheen,

zijn aaibare aanwezigheid wou zij dan niet missen.

Het afscheid die morgen hadden zij

met heel veel koffies voor zich uit geschoven.

Hij zag bleek, ondanks zijn zongebruinde tint.

Zijn beide ogen waren helemaal opgezwollen,

dit had zij de avond ervoor niet opgemerkt.

“Ik ben ermee opgestaan”, stelde hij haar gerust.

“Eine Entzündung”.

Hij zou thuis onmiddellijk zijn huisarts raadplegen.

Hij nam zijn bril af.

Zij wreef heel zachtjes en heel langzaam

over zijn ontstoken lieve ogen.

En zij besloten nu afscheid van elkaar te nemen.

“Dein Ritter kommt noch, ganz bestimmt”

zei hij, vol emotie en vertrouwen.

Zij vond geen woorden.

Grumpy Old Bitch

  Erger nog dan zomaar een spijtig voorval – waarvoor wij ons oeverloos zouden verontschuldigen – het is een vanzelfsprekende wetmatigheid dat in Kreta elk evenement minstens een uur later begint dan is vooropgesteld.

Een antiek koppel – zoals wij dan zijn – vindt het dus maar zaak en leert het niet af om reeds om 20:30 acte de présence te geven als een voorstelling om 21:30 begint. Of zou moeten beginnen.

Niet zo de Griek. Die duikt om 21:30 nog de douche in en stuurt alvast iemand vooruit om de nodige plaatsen voor de familie en aanverwanten voor te behouden. Die iemand is dan bij voorkeur een vrouw van rijpere signatuur en/of omvang, bereid om haar leven of wat er nog van overblijft, op te offeren voor de niet minder dan 10 zitjes waar haar dierbaren hun hygiënisch frisse achterste zullen gaan parkeren.

Die iemand moet dan ook bij voorkeur enige ballast kunnen torsen, want de 10 zitjes worden middels handtassen, jassen, pulls, sjaals, brillen en flesjes water ten zeerste ontoegankelijk gemaakt voor de vermaledijde die ook op de voorste rijen wil gaan plaatsnemen.

Is dit alles nog niet voldoende, dan zijn een vlotte woordenstroom, een schril stemgeluid en wapperende handen en armen de middelen bij uitstek om veiligheidshalve helemaal achteraan uw toevlucht te zoeken.

Dit allesbehalve genoegen had ik dus toen zo’n Mrs. Grumpy haar boze oog op mijn rij liet vallen. Haar ruime, propere familiekring terwille, schoof ik zelfs twee stoelen op en nam voor lief haar encombrant jojogedrag telkens zij een insijpelende bekende opmerkte en in haar liefhebbende armen sloot. Met telkens een deel van mij erbij. Soit.

Dit alles in een openluchttheater dus. Ik bedoel, openluchtiger kon het geheel niet zijn. Stel je het plaatje voor. Buitenlucht, bomen, avondbries, zuurstof… en een massa Grieken die het roken hebben opgegeven om bezuinigingsgerelateerde redenen. Ik niet. Anderhalf uur wachten, zonder sigaret, het is mij teveel gevraagd. Ik waag mij aan eentje, want in de buitenlucht. Blaas de rook richting de boss, want verbaast zich daar niet meer over.

En heb de toorn van Mrs. Grumpy over mij gehaald. Een Grieks drama uit de eerste hand. Met veel omhaal is zij vier stoelen verder gaan zitten en haar blikken vol weerzin hebben mij de ganse avond gezelschap gehouden.

Gerookt heb ik niet meer. Mij enkel de bedenking gemaakt dat de heer Samaras zich het liefst mijlenver uit haar Kretenzisch gezichtsveld moet houden.

Het Liftende Buufje

Staat zij daar, oud en gebogen, pal in het midden van de straat en heftig met de armen zwaaiend, net als ik de heuvel kom afgestormd en dus niet zo meteen ter plekke stil kan staan.

Naar Kato Gouves rij ik“, zeg ik haar voor alle duidelijkheid, terwijl ik mij buig naar de passagierskant om het portier te openen. Die moeite had ik mij kunnen besparen, zij zit al.

Kato Gouves. Paris farmakio?” pols ik voorzichtig. De apotheek van Paris is hier namelijk de landmark en gezien de wild om zich heen slaande crisisgevolgen, ga ik er automatisch van uit dat zij daar moet zijn.

Je zou enige reactie verwachten. Niet dus. Zij vertrouwt de expats niet, zoveel wordt mij duidelijk. Of misschien is zij wel doofstom? Wat volgt, laat zich raden. I’ve been there. Als een razende begint zij tijdens de rit op haar borst te kloppen en kruistekens te maken. Ik voel mijn waardigheid afsterven.

Ik stop aan het kruispunt. “Kato Gouves, farmakio!” gil ik. Zoals een buschauffeur zijn eindhalte omroept. Geen beweging in het mensje te krijgen. Duidelijk niet de minste intentie om uit te stappen.

Zij strekt haar arm naar links. “Gournes!“, roept zij. Niks doofstom. Ik schud mijn hoofd : “Ochi!“, en strek mijn arm naar rechts. “Hersonisso!“. Zij naar links : “Gournes!”.

Ik probeer haar, bijna wanhopig nu, uit te leggen dat ik helemaal niet in Gournes moet zijn. Even toch twijfel ik, of ik haar tot Gournes zou brengen, maar begraaf de hulpvaardige gedachte, bij nader inzien.

Wij blijven, afwisselend armstrekkend, op het kruispunt staan. Dikke tien minuten later is zij, zeer onwillig, bijna boos, uitgestapt.

Een volgende keer is mijn naam haas.