Categorie: Struggling against Madness

Oeps. Foutje!

lidl-cashier

“I don’t think I am going to pay that much”.

Terwijl ik net voor Kerst aan de kassa van de supermarkt op kruissnelheid mijn foeilelijke eco-boodschappentassen sta te vullen en in mijn winkelkar te hijsen, hoor ik vaag, tussen de flarden “White Christmas” door, Grom’s gedecideerde, licht ironische uitspraak.

De kassadame glimlacht, schudt het hoofd, verzekert kalm en minzaam dat hier a mistake is opgetreden en dat zij dit in a minute zal oplossen. Ik kijk sluiks naar het nieuwe schermpje waarop de afrekening niet mis te verstaan is. Dik 300 euro, een bedrag dat zelfs je strottenklepje eventjes blokkeert.

Mijn blik holt van Grom naar de kassadame, van haar naar de ellenlange rij wachtende, haastige klanten. Met opgetrokken schouders en kloppende slapen verwacht ik mij zo meteen aan een escalatie van geknor en gezucht van de Grieken, die toch wel bekend zijn om een zekere merkwaardige lawaaiproductie. Terwijl de kassierster stoïcijns kalm het vermaledijde kassaticket door haar vingers laat glijden, blijft het echter stil in de rij, dit moet zonder meer aan haar houding te danken zijn.

Paella“. Het woord komt na 5 minuten bijna vredig over haar lippen. In rodeloperstijl komt zij richting mijn boodschappentassen en haalt triomfantelijk de boosdoener uit de diepvrieszak. Met de hulp van een collega wordt een en ander op ons driftig aankoopdebet aangepast.

Het blijft een raadsel hoe een fout kan optreden bij artikelen die gescand worden. Blijkbaar gaf de Spaanse bonte maaltijd à 1,80 euro verkeerdelijk 180 euro aan.

Met een opgelucht hart rol ik mijn wonderlijk goedkopere kerstaankopen de supermarkt uit. Dankbaar en respectvol vooral voor de sterke vrouw achter de kassa, die zich niet uit het lood liet slaan toen er even een chaotische staat van beleg dreigde. Do not mess with this lady!

Het (On)gevaarlijke Meisje

 

Sitia, Kreta, september 2009. Met een knipoogje naar Bea.

Wellicht is The Famous Ioannis, zoniet de alleralleraardigste, dan toch een van de vriendelijkste taxichauffeurs, die een dagelijks dieselspoor nalaten tussen Heraklion en het noordoostelijke Sitia. Hij is de man met duizend vrienden, die moeiteloos elke verkeersregel overtreedt, die halfweg een rit stopt om een bloem voor jou te plukken, die je de daver op het lijf en de berm in jaagt met een zelfgeknutselde politie-megafoon, die jou in het holst van de nacht naar de heuveltop rijdt om miljoenen sterren aan de hemel te bewonderen, die op een onmogelijk uur en een 10-Beaufort-storm een rit van zeven uren aanvangt om jou in een uitgestorven Heraklion Airport op te halen omdat jouw Sky Express-vlucht naar Sitia niet doorgaat, en die jou nadien (opgelucht, vermoed ik) jouw eerste Kretenzische bolide verkoopt; de man die elke celebrity, die een voet op de tarmac zet, met een klopje op de schouder mag verwelkomen.

Die man was het, die kwam aanzetten met het briljante idee een bergtochtje in zijn legerjeep te organiseren, toen hij vernam dat mijn vriendin Bea weldra zou arriveren en ik naarstig op zoek was naar enige gepaste vormen van vermaak.

De dag was niet overmatig zonnig, ons humeur daarentegen wel. De jeep kroop hoog de heuvels rond Sitia in, langs korte bochten,  weinig begaanbare paden,  overdadig groen en duizelingwekkende vergezichten.

En net als wij er van overtuigd raakten,  helemaal alleen in weidse wolken te vertoeven, komt daar een man op zijn quad aangetuft, het geweer in de aanslag. Pistolis – laat ons de man Pistolis noemen –  is al even verrast bij het zien van dit ongewoon vrouwelijk gezelschap, als wij bij het zien van zijn indrukwekkend wapen. Nog voor wij van onze verrassing zijn bekomen, zitten wij al gemoedelijk een glaasje achterover te slaan in zijn aan het oog onttrokken, bevreemdende woning, hoog boven de bewoonde wereld. Woning is een eufemisme, het vertrek is een waar arsenaal. Van hoog tot laag hangen, staan, liggen wapens voor het grijpen. Wij kennen allen de innige band tussen Kretenzers en hun wapens, maar hier is werkelijk niet op een kalibertje min of meer gekeken.

En Bea liet zich in deze dreigende omgeving niet ongemoeid. Was het de raki, waren het diepgewortelde wraakgevoelens, een avontuurlijke drang ? Als een ware revolutionista greep zij een wapen en richtte het op Sweet Ioannis, die haar perfide spel maar al te graag meespeelde, tot groot jolijt van al de verblufte omstaanders.

Pistolis schonk ons nog een glaasje in, gaf zowaar nog een demonstratie hoe je een wapen zonder veel complimenten (en zonder veel vragen) moest hanteren. Hij moet in Bea een beloftevolle discipel hebben gezien. Toen wij terloops even polsten of de politie geen graten zag in zijn (zonder twijfel) lucratieve handeltje, gaf hij mee dat de politie bijna dagelijks bij hem over de vloer kwam. Hij was immers de enige ervaren gabber in de wijde omtrek met voldoende expertise om hun wapens te herstellen.

Wat houden wij van Grieken.

 

 

Het Kaartje

IMG_7167

God en Klein Pierke weten het al onnoemelijk vele jaren, en ondanks mijn jaarlijkse januaribeloftes van beterschap en mijn nu wel diepgeworteld berouw, lukt het mij niet binnen een redelijke termijn een deftig, zij het dan kort, antwoord te verzinnen op brieven en berichten die mij liefdevol (what else?) bereiken. Mijn gemiddelde antwoordspanne moet nu welhaast acht maanden bedragen.

Maar als ik lees, dat er ergens zo’n jonge kerel hevig lijdt onder zijn chemobehandeling en zijn bezorgde vader vraagt hem als oppeppertje een kaartje toe te sturen, dan likt het vuur aan mijn achterste. Ik diep het meest zonnige Griekse tafereeltje uit mijn lade op, schrijf mijn boodschap aan de jongen en trek met mijn kaartje richting postkantoor.

Dat ik in het kantoor haast onder de voet gelopen word door de massa, daar kijk ik niet eens meer van op. Ik neem een ticket aan de automaat, neem er nog twee, en leg deze bovenop het apparaat, als toemaatje voor gehaaide nakomers. Ik heb het nummer 274 en zie op het scherm dat de loketdames langzaam de nummers 251 en 252 bedienen.

In tegenstelling tot de verantwoordelijken, die zich als in beton gegoten achter hun computerscherm verbergen, draaft onze postmeester door het lokaal, baant zich armenzwaaiend een weg – want hij is nogal klein van stuk – wenst mij een goedemorgen,  haalt een onschuldige jongeling uit zijn stoel en beveelt mij daar plaats te nemen. De hele zaal kijkt op, ik maak me zo klein mogelijk, zak onderuit in de stoel, kaartje in mijn ene hand, “solitaire“-spelletje in de andere.

Net als ik aan de eerste hint toe ben, daagt de postmeester weer op aan het einde van mijn rij. Met wenkend wijsvingertje. Is dat naar mij? Ik krimp nog meer in mijn stoel. “Come with me“. Ik voel wel 30 blikken in de rug als ik achter hem aan drentel. “Just that one card?” Ik knik en voel mij meteen schuldig. Had ik nu maar een hele resem kerstkaartjes geschreven. “One for Ollandia?” “Yes, please“. Hij komt aanzetten met een leuke zegel. “90 cents“.  Het voelt aan als de genadeslag. Nu moet ik spitsroeden lopen voor een armzalige 90 cent. “And this is my card for you, happy Christmas“. Hij duwt het (bovenstaand) kaartje van de Griekse Post in mijn handen.

De uitdrukking op mijn gezicht moet ab fab geweest zijn, toen ik mijn rug naar hem toekeerde en de uitgang opzocht. Iedereen lachte.

De Woelige Conservator

IMG_6917

Wij hadden het ons al afgevraagd. Blauw-witte bordjes, her en der op strategische straathoeken neergezet, bevestigden ons vermoeden, dat er in de omgeving een MUSEUM te vinden was. En wel in Kato Gouves. Of all places.

Joe toeriest?” roept de man achter de wankele tafel aan de ingang. Hij is druk met het invullen van een handvol lotto-formulieren. “Toe joero iech!” De man danst bijna van opwinding, het kan niet anders of wij zijn de allereerste bezoekers van het zomerseizoen.

Het Gouves-folkloremuseum is ruim, koel en tot de nok gevuld met ongeveer alle voorwerpen, die eens de trots en het erfgoed uitmaakten van de fiere, hardwerkende en onverzettelijke Kretenzers uit de streek.

Bedoeling is, dat ik hier eens ongegeneerd ga rondslenteren, nieuwsgierig wat geschiedenis opsnuiven, mij laten verbazen, fotootje hier en daar maken. Je kent dat. Ware het niet, dat de hete knoflookadem van de conservator mij in de nek blaast bij elke stap die ik zet. Boss heeft de bui al zien hangen en verdwijnt naar het diepere gedeelte van de zaal.

museum1

Er zijn honderden voorwerpen en snuisterijen. Met een aan waanzin grenzende verbetenheid geeft de hyperactieve conservator mij gebroken tekst en uitleg bij elk ervan. Mijn geduld raakt op, ik begin te dampen onder mijn oksels, ik snak naar koffie en buitenlucht. Vergoelijkend bedenk ik ook onmiddellijk, dat je toch echt wel waar krijgt voor je toe joero.

“Entaxei kyrie”, breng ik al stamelend uit, “nu wil ik toch graag in alle rust wat foto’s maken, meteen een beetje reclame voor je zaak“. Ik vind dit persoonlijk een leuke uitvlucht eigenlijk.

Met een air van professionalisme duikel ik mijn toestelletje op en zet mezelf op scherp. Springt die man mij daar toch voor de camera bij elke klik. Bij e-l-k-e goddamn klik. Ik ben onthutst en een appelflauwte nabij; hij moet het gezien hebben, no doubt.

museum2

Ai wiel meek piktjoers of joe” tiert de man, als hij Boss ziet komen aanslenteren. Hij rukt mijn cameraatje uit mijn pollen, posteert ons voor het beeld van een meer dan levensgrote, stoer kijkende Griekse krijger, duwt ons beiden een amfora in de handen, zegt dat wij die op onze schouder moeten torsen. Wat wij, met enig ongemak, ook doen. Ik kan nog een glimlachje forceren, Boss niet. Klik, klik. Ik weet nu al, dat deze foto’s slechts in acuut levensbedreigende omstandigheden het daglicht zullen zien.

“That’s it”, breng ik deze gedreven woesteling aan het verstand, “we’ll go now, thank you so much“. Nope. Er moest en zou voor ons vertrek nog een serie volgen aan het weefgetouw. Het povere lachje, dat wij nog konden produceren, is er een van pure opluchting.

IMG_6925

Het kan u dus verwonderen, maar er is wel degelijk een Museum voor Folklore in Gouves. En u krijgt heel wat return voor uw twee euro.

 

Het Zomerproject 2016

Toen het op vernieuwing aansturende stadsbestuur van Heraklion oordeelde dat er best nog wat ruimte overbleef voor toeristische attracties, genoot de idee van een Street Art Festival onmiddellijk veel bijval. De deelnemers kregen dan ook carte blanche. Waar ook in de stad mocht je jouw sculptuur of je schildersezel neerpoten, muren bekladden, danspasjes uitvoeren, vodden ophangen, in een micro brullen of eco onkruid planten. Zolang de eigenaar van het pand van voorkeur er geen graten in zag.

Boss was meteen verkocht. Trouw aan zijn motto dat een goede voorbereiding het halve werk is, troonde hij zijn sidechick mee naar zijn geprefereerd actieterrein, de Agia Triada achtergestelde buurt. Kwestie dat ook kanslozen tot wat elitaire kunstvormen toegang moeten krijgen.

img_6277

Toen het zweet en mijn motivatie na een paar uren al naar mijn schoenen waren gezakt, vond hij er een vreedzaam parkje, volledig ingenomen door geparkeerde en achtergelaten wagens. Tjokvol zwerfvuil en stront. En daar stond zowaar de vuile muur van zijn dromen, waar hij zijn collage Postcards From Heraklion zou presenteren aan een publiek dat ongetwijfeld geen boodschap zou hebben aan zijn zonnige vakantievisie op de stad. Een overvlijtige stadsambtenaar snorde de eigenaar van de muur op, die het geen moer kon schelen dat zijn muur geschilderd werd en van een uniek kunstwerk voorzien.

img_6281

Overbeladen met liters bleekwater, verf, een doos rubberen handschoenen, bussen schoonmaakmiddelen, plastic zakken, maskers, ladders, borstels, emmers en gereedschap, gingen vriend Manolis en Babette de stinkende private schijtruimte van honden en katten met ware doodsverachting te lijf, onder het goedkeurende oog van Boss, die overigens ook vindt dat je niet zelf hoeft te doen wat door anderen kan gedaan worden. In no time kregen wij het stort klaar voor Manolis’verfbeurt. Na de lunch bleek de verf droog, zodat Manolis het kunstwerk finaal aan de muur kon vijzen, klaar voor de langskomende nieuwsgierige buren.

img_6268

img_6280

Boss kwam ook, en zag dat het goed was. Hij heeft zich intussen al aangemeld voor de Street Art uitgave 2017. Only passing along the good news today 😦

Met Dank Aan Mijn Bank

bank Toen het de haaien van mijn Griekse bank duidelijk werd dat je wel een volslagen idioot moest zijn om nog maar 1 eurocent op je rekening te storten, kregen zij het lumineuze idee het online bankieren in te voeren. Het was niet voor iedereen weggelegd. Als je dan al beschikte over een pc, en de enorme meevaller ook enkele uren per dag internetverbinding te hebben, kon je persoonlijk een aanvraag indienen. Stapel formulieren invullen, bewijzen voorleggen, een week wachten op goedkeuring.

Vanzelfsprekend werkte het systeem niet, of nauwelijks, een maandenlange ergernis waar de telefoonmaatschappij dan wel blij om was. Vandaag liggen de kinderziekten al een poos achter ons en kan je al enterend je facturen en je geld kwijt. Dat kost je dan wel 2 euro per overschrijving. Niet genoeg, volgens de haaien.

Want wie denkt dat hij nu, dank zij het internet,  vrolijk fluitend de ellenlange rijen in het bankkantoor kan vermijden, is een onverbeterlijke schlemiel. Met regelmatige tussenpozen wordt namelijk – en opzettelijk – het systeem platgelegd, zodat je wel verplicht bent het kantoor binnen te stappen, voorzien van je factuur en de nodige centen.

Volg mij even mee. Ik leg ter betaling een factuur en 200 euro op de toonbank.

Sorry, mevrouw, maar dit gaat niet.

Hoezo gaat dit niet?”

U moet het geld op uw rekening storten. Ik kan dit wel even voor u doen. Kostprijs 2 euro.

Vooruit dan. Kan ik nu a.u.b. deze rekening betalen?”

Jazeker, ik haal het bedrag van je rekening. Kostprijs 2 euro. En ga nu meteen je factuur betalen. Kostprijs 2 euro.”

Ik vervloek mijn bank nu nog meer dan ik al deed. Sta ik me daar warempel belachelijk te maken en 6 euro te betalen voor een verrichting? Terwijl zij in hun vuistje lachen? Terwijl die graaiers godbetert nu bovendien een taks voorstellen op het pinnen van je eigen poen? Kleftes!

Dekselse Lemonia

Als je voor vol wil aanzien worden door de goegemeente, dan hoort er een citroenboompje in je tuin. Bij gebrek aan tuin, reserveerden wij bij de heraanleg van de patio dan ook een ereplaats voor het boompje dat onze dorpsstatus aanzienlijk omhoog zou tillen. De man in het garden center verzekerde ons, dat het nattige specimen dat wij hadden uitgekozen, ons vrij spoedig met een karrevracht citroenen zou verwennen. Uit niets bleek dat wij hier ook maar een moment aan zouden twijfelen. Dolenthousiast gaf ik ons boompje de naam Lemonia, het schiep een band, vond ik.

Maar Lemonia had andere plannen. Ze groeide en bloeide, maar vertikte het ook maar één langverwachte vrucht af te leveren. Ik speurde elke dag haar takken af, sprak haar lovende woorden toe, besprenkelde haar voetjes, noppes, tipota. Ik werd er na een jaar zowaar mistroostig van. Wie schetst dan ook mijn verbazing als ik plots een volwassen exemplaar tussen de groene blaadjes ontdekte.

lemonia1

Dit kon niet waar zijn, what the heck is hier aan de hand? Vol ongeloof naderde ik  Lemonia’s tere blaadjes, voelde omzichtig aan het kleinood. En ontdekte welke oplossing  Boss voor mijn wanhoop had bedacht.

lemonia2

Het bleek voor Lemonia een wake up call te zijn. Het volgende jaar schoot zij in haar wiek en gaf het beste van zichzelf. Zoveel vreugde kon ik nauwelijks op, te meer omdat zij ook het jaar daarop mijn TLC leek op prijs te stellen.

001

En toen gaf Lemonia het op. Definitief. Vergeet de limoncello, Babette.

Lemonia staat nu onvruchtbaar te verpieteren tussen de geraniums die zich weelderig rond haar stam hebben geslingerd.

Jij je zin, meid, ik haal mijn citroenen voortaan wel bij de buren.