Tag: Dominant

De Paleisrevolutie

Afbeelding

Was de oktoberbijeenkomst van de internationale boekenleesclub in de alom geprezen kunsttempel van de Boss een succes te noemen, de novembereditie daarentegen dreigde op een regelrechte catastrofe uit te draaien. Aan de opkomst lag het niet, de uitnodiging vermeldde immers dat er “nibbles van Babette” en een “cherry chocolate cake van Boss” zou geserveerd worden, wat een extra toeloop van uitgehongerde expats aan de tafel bracht. Daar waar Babette zich ruim een halve dag in de keuken had verschanst voor haar “nibbles“, had de Boss zich beperkt tot het kiezen en aankopen van zijn taart en had Babette die, met de andere aankopen, achter zich aan gesleept.

De Boss, als zelfverklaarde drijvende motor, staat in voor de drankjes en brengt nu, na heel wat nerveus heen en weer geloop, ter verwelkoming zijn glas tot neushoogte. “Of iedereen zijn drankje heeft?” Hij is het mijne vergeten. Het oepsmoment verdwijnt achter het neerslaan van de veelzeggende blikken om mij heen. Ruimbemeten Leen, de locovoorzitter van deze meeting, zit rechtover de Boss, strijdlustig als steeds om hem uit het zadel te lichten, en heeft, vreemd genoeg, ter versterking haar Griekse hubby meegebracht, die (net zo min als ik) het boek van de maand niet heeft gelezen. Ik ga ervan uit, dat wij beiden ons zo ook wel iets kunnen voorstellen bij honderd jaar eenzaamheid.

Het gaat al meteen grondig mis bij de inleidende vraag, waar onze bijdrage voor Ann, een overleden lid van onze club, heen moet. Met het verzoek van haar dochter, onze storting over te maken aan het Engels tehuis waar zij werd verzorgd, ging iedereen al bij de vorige vergadering akkoord. Nu vindt Leen in een laat-semi-patriottische opwelling dat de homeless in Athens daar meer behoefte aan zouden hebben. Maar Boss komt niet op beslissingen terug en poor Ann zal nu ongetwijfeld rest in peace in de wetenschap dat Leen bakzeil heeft gehaald.

“Right. Can we now proceed with One Hundred Years…”  Leen geeft zich evenwel niet zo snel gewonnen, zelfs als zij daarvoor de jarenlange solitude van haar lievelingsauteur nog even moet rekken. In een verwoede poging, alsnog haar coup d’état door te drukken, werpt zij op, dat, naar haar bescheiden mening, de leden onvoldoende informatie krijgen en deze verheffende, doch, zoals zij terdege beseft, tijdrovende taak het best naar haar zou worden overgeheveld. Ik zie de ergernis van de Boss, die hiervoor instaat, to the next level stijgen en zijn stuk cherry chocolate cake halverwege zijn slokdarm stoppen. Het is een gratuite bewering, daar is iedereen het over eens, maar de deuk is er.

Hij herstelt zich. “Right. Can we now proceed with One Hundred Years…” Het geduld van het boekminnend clubje is op. De taart en de nibbles ook. Leen geeft met een verbeten trekje een monoloog weg, dat zij heeft gepikt van The New York Times. Niemand waagt het nog, erop te reageren. “In his book, Màrquez is wise enough not to offer excuses”.

Bij het buitengaan heeft Leen de Boss niet eens gegroet.

Blijf eens van mijn lijf!

Sommige dingen wil je niet aan den lijve ondervinden.

Op een kerstavond genadeloos overgeleverd worden aan de onverholen nieuwsgierigheid, de scrutineuze blikken, het onverstaanbaar gemompeld medelijden van een voltallige dorpsgemeenschap, die zich voor de middernachtmis aan de kerk in rijen van twee – vrouwen rechts, mannen links – heeft opgesteld om het grofwild te keuren, dat de boss aan zijn speer heeft weten te rijgen, is er een van.

Bijkomend onhandigheidje is, dat elk van hen zich tot christelijke plicht heeft gesteld, mij te kussen. Ik verdwijn achtereenvolgens in een luchtjeswolk van mottenballen, olijfzeep, lavendelzakjes, Vicks, look, tabak en alcohol, onderwijl hevig aangemoedigd door de oude besjes rechts, die voor the stranger eindelijk een fatsoenlijk gebeitelde toekomst zien opdagen, en de zo mogelijk nog fanatiekere grijsaards links, die mij verzekeren dat ik altijd bij hen terechtkan als diezelfde stranger mij niet behoorlijk zou behandelen.

Aan de ingang van de kerk steek ik drie kaarsen aan, dat moet enigszins volstaan denk ik zo, en vang daarbij de vergenoegde blik op van de pappa, die zich a priori verkneukelt in het vooruitzicht van een sterk verhoogde kaarsenomzet als hij merkt dat het de boss is, die nonchalant dominant zijn arm rond mij heeft geslagen.

Dat het kleine kerkje stampvol zit, is niet nauwkeurig uitgedrukt, de helft stààt wegens plaatsgebrek, en het ruikt er ongezond naar kaarsvet, wierook en mottenballen. Vrouwen rechts, mannen links. Met wijd uitgestrekte armen duiden de vrouwtjes mij aan, dat ik naast hen op de uiterst ongemakkelijke banken moet plaatsnemen. In de veronderstelling, dat zij niet meer om de haverklap zal opspringen en weer neerzitten, en aldus de kans op het verspreiden van vluchtige organische stoffen sterk gereduceerd wordt, kies ik er de oudste uit.

Na een uur maak ik mij de bedenking dat de godsvrucht van de Grieks-Orthodoxe gelovigen te meten valt aan de duur van de dienst. Na anderhalf uur ben ik er wel zeker van. Ik onderdruk een geeuw, ik knijp heimelijk in mijn handen en mijn voorarmen om mijn geest een beetje tegenwoordig te houden. Ik sla mijn ene been om het andere, probeer mijn bengelende voet stil te houden. Hoor aan het regelmatig gehoest van de boss dat hij het nog niet op een lopen heeft gezet.

Het vrouwtje tikt op mijn knie. Ik denk dat zij mijn strijd begrijpt en knik instemmend naar haar. Zij knijpt nu in mijn knie. Verwonderd over zoveel vriendelijkheid, tik ik eveneens een paar maal op haar dij. Na een kwartier gaat het gezang nog steeds door, het gehoest ook, het geknijp eveneens, ditmaal nadrukkelijker. Misschien is het vrouwtje met de jaren wel ongevoelig geworden voor klopjes op haar dij, denk ik, dus ik verleg mijn actie naar haar arm en wrijf er enkele keren zachtjes over. Het mag nu wel ophouden.

De houten bank bijt danig in mijn billen, ik neem nu elke gelegenheid te baat om met mijn mede-gelovigen recht te veren telkens het oneindig gezang daartoe de gelegenheid biedt. Het geeft me een veilig gevoel. Telkens ik neer ga zitten, probeer ik een centimeter verder uit haar buurt te schuiven. Mijn ander been om het ene te slaan. Verwoed een verklaring te vinden voor haar compulsieve neigingen. Ik geef het uiteindelijk op, zij niet.

Pas veel later kwam ik erachter, dat het een gebrek aan respect is als een vrouw in de kerk haar benen over elkaar slaat. Het mottenballenvrouwtje wou mij dus duidelijk maken dat ik mijn beide voeten op de grond moest houden.

En ik had mij nog zo voorgenomen, een volgende keer wat meer kaarsen aan te steken.

candles_lot